Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0539

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
201104968/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Exloo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104968/2/R1.

Datum uitspraak: 30 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoekster sub 1], wonend te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Exloo, gemeente Borger-Odoorn,

en

de raad van de gemeente Borger-Odoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Exloo" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekster sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2011, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoekster sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van dezelfde datum als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 20 juni 2011, waar [verzoekster sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [verzoeker sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door H.G.J.C. Brink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoekster sub 1]

2.2. Het verzoek van [verzoekster sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" wat betreft de gronden aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. [verzoekster sub 1] stelt dat het plan ter plaatse ten onrechte slechts één bedrijfswoning per bedrijf toestaat, terwijl het voorgaande plan er drie toestond, namelijk één per perceel. Indien zij de percelen of één daarvan wil verkopen zal zij schade lijden, doordat de percelen niet meer als drie aparte percelen met eigen bedrijfswoning te verkopen zijn, maar slechts als één recreatiepark.

2.2.1. In het voorgaande plan was aan de in het geding zijnde gronden de bestemming "Dorpsgebied" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de voorschriften behorend bij dat voorgaande plan waren de gronden onder meer bestemd voor woondoeleinden in de vorm van eengezinshuizen, appartementen en woonwagens.

De in geding zijnde gronden hebben in het voorliggende plan de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" gekregen. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" bestemde gronden bestemd voor een attractiepark met bijbehorende voorzieningen, groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Ingevolge lid 10.2, onder a, sub 3, mag per bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd. Ingevolge artikel 21, lid B, onder 1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge het vierde lid is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.2.2. [verzoekster sub 1] heeft de gronden aan de [locatie 2] en [locatie 3] gedeeltelijk in eigendom. [locatie 1] grenst aan nummer [locatie 2] en [locatie 3]. Op de percelen is het attractiepark Kabouterland gevestigd. Tussen partijen is niet in geding dat er drie woningen op de percelen staan die met bouwvergunning zijn opgericht. Gelet hierop is handhavend optreden hiertegen niet mogelijk. Eventuele bewoning van de woningen ter plaatse is gezien overweging 2.2.1 onder het gebruiksovergangsrecht gebracht. Inwerkingtreding van het plandeel betekent dan ook niet dat het college van burgemeester en wethouders handhavend kan optreden tegen bewoning ter plaatse. Tot slot heeft [verzoekster sub 1] geen blijk gegeven de percelen op korte termijn te willen verkopen. Er bestaat zodoende geen spoedeisend belang. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van [verzoekster sub 1] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

2.3. Het verzoek van [verzoeker sub 2], woonachtig aan [locatie 4], is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" wat betreft het perceel gesitueerd tussen [locatie 4] en [locatie 5]. Hij voert aan dat de regeling in het plan in zoverre afwijkt van het voorgaande plan en de regeling uit het voorontwerp. De toegekende woningbouwmogelijkheid is in strijd met het gemeentelijk Integraal Woonplan en met het doel van het plan uitsluitend nieuwe woningbouw toe te staan aan de Fabrieksstraat 27 en de gemeentewerf, aldus [verzoeker sub 2].

2.3.1. De gronden waarop de woning van [verzoeker sub 2] staat alsmede de omliggende percelen hebben in het plan de bestemming "Gemengd" gekregen met een doorlopend bouwvlak.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder a, sub 1, van de planregels mogen gebouwen alleen binnen de bouwvlakken worden gebouwd.

Ingevolge sub 6 is uitbreiding van het aantal woningen, met uitzondering van het perceel gelegen tussen de gronden aan [locatie 4] en [locatie 5], niet toegestaan.

2.3.2. Ter zitting is door de eigenaar van de gronden tussen [locatie 4] en [locatie 5], [belanghebbende], toegezegd dat geen bouwaanvraag zal worden ingediend totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak. De voorzitter acht zodoende geen spoedeisend belang aanwezig. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van [verzoeker sub 2] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011

466-673.