Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
201011479/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2003 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011479/1/H3.

Datum uitspraak: 6 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 oktober 2010 in zaak nr. 10/525 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2003 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft het CBR het door [appellant] bij brief van 13 oktober 2009 daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 8 juni 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), indien de uitslag van het onderzoek of de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] eerder dan 13 oktober 2009 op de hoogte had kunnen zijn van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, nu hij op 10 mei 2008 (lees: 9 mei 2008) is staande gehouden voor het rijden met een auto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het had naar het oordeel van de rechtbank reeds toen op zijn weg gelegen bij het CBR te informeren naar de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De rechtbank heeft hierbij tevens betrokken dat uit de stukken blijkt dat [appellant] op de hoogte was van een procedure, aangevangen in 2001, strekkende tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Het bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend, aldus de rechtbank.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op een onjuiste lezing van de stukken. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij niet bij de staandehouding op de hoogte is geraakt van de ongeldigverklaring van het rijbewijs door het CBR. Zulks is hem op die dag niet medegedeeld. In oktober 2009 heeft hij kennisgenomen van het feit dat het CBR zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. De door de rechtbank aan hem opgelegde onderzoeksplicht ter zake kan dan ook niet standhouden, aldus [appellant]. Voorts is de vaststelling van de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat hij op de hoogte was van een procedure strekkende tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs volgens [appellant] eveneens onjuist.

2.3.1. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van het Korps landelijke politiediensten van 9 mei 2008 (hierna: het proces-verbaal) is vermeld dat [appellant] is aangehouden wegens rijden terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard. Als verklaring hiervoor heeft [appellant] volgens het proces-verbaal opgegeven: "Ik weet daar niets van. Ik heb wel een keer een onderzoek in Nijmegen gehad bij een dokter waarbij ik urine heb afgestaan. Daarna heb ik er nooit meer wat van gehoord".

Uit het procedureoverzicht van het CBR komt naar voren dat [appellant] zich na een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 heeft onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet. Dit onderzoek heeft op 5 september 2002 plaatsgevonden en bestond onder meer uit een laboratoriumonderzoek. Dit is door [appellant] niet betwist.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat voor [appellant] sinds 9 mei 2008 voldoende aanleiding bestond om contact op te nemen met het CBR ten einde zeker te stellen dat het CBR geen voor bezwaar vatbaar besluit had genomen naar aanleiding van het onderzoek dat hij had ondergaan. [appellant] heeft echter eerst bij brief van 5 oktober 2009 bij het CBR geïnformeerd naar de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en bij brief van 13 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen het daartoe strekkende besluit. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat deze omstandigheden ertoe leiden dat het bezwaarschrift van 13 oktober 2009 niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft bij haar oordeel voorts terecht betrokken dat [appellant] volgens zijn eigen verklaring in het proces-verbaal op de hoogte was van de procedure bij het CBR, aangezien hij in dat kader heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft dit terecht onderkend.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011

97-597.