Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
201106048/1/H1 en 201106048/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2006 heeft het college het verzoek van de vereniging "Vereniging Vrienden van het Albaveld" om handhavend op te treden tegen het gebruik van de drie oefenholes van de golfclub op het perceel Albaweg 43 te Lieren, gemeente Apeldoorn, (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106048/1/H1 en 201106048/2/H1.

Datum uitspraak: 30 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Golf- en Businessclub de Scherpenbergh B.V. (hierna: de golfclub), gevestigd te Lieren, gemeente Apeldoorn,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 18 mei 2011 in zaak nrs. 11/525 en 11/526 in het geding tussen:

de golfclub

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2006 heeft het college het verzoek van de vereniging ""Vereniging Vrienden van het Albaveld"" om handhavend op te treden tegen het gebruik van de drie oefenholes van de golfclub op het perceel Albaweg 43 te Lieren, gemeente Apeldoorn, (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het college het daartegen door de vereniging gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2009 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 maart 2008 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Bij uitspraak van 18 november 2009 in zaak nr. 200901103/1/H1 heeft de Afdeling het daartegen door het college ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college het door de vereniging tegen het besluit van 3 maart 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de golfclub onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de drie oefenholes op het perceel te staken en gestaakt te houden.

Bij uitspraak van 18 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door de golfclub daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de golfclub bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2011, heeft de golfclub de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De golfclub heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2011, waar de golfclub, vertegenwoordigd door J. Poppe, bijgestaan door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. van de Zedde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de vereniging, vertegenwoordigd door C.H. Veerkamp en A.L. Brakke, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ""Immenberg"" rust op het perceel de bestemming ""Bos- of parkstrook.""

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden uitsluitend worden gebruikt als bos, struikgewas of hakhout, zulks met het oog op het bereiken van een visuele afscheiding tussen naastliggende bestemmingen, dan wel ten behoeve van het behoud van de aldaar voorkomende landschappelijke waarden.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, is het verboden gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming.

2.3. Niet in geschil is dat de oefenholes in strijd met artikel 2.17, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 3.1, eerste lid, van de planvoorschriften worden gebruikt, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. De golfclub betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de vereniging geen belanghebbende is bij het besluit van 8 maart 2011. Daartoe voert zij aan dat de feitelijke werkzaamheden van de vereniging louter bestaan uit het in rechte opkomen tegen besluiten.

2.5.1. Bij voormelde uitspraak van 18 november 2009 heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van de vereniging louter bestaan uit het in rechte opkomen tegen besluiten en dat zij aldus geen algemeen of collectief belang behartigt als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

De Afdeling ziet in hetgeen de golfclub aanvoert geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen.

2.6. De golfclub betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat.

2.6.1. Dit betoog faalt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 april 2009 in zaak nr. <a href=""http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=e7XN%2BgHh2Q0%3D"">200806686/1</a>) is voor het aannemen van concreet zicht op legalisering in het algemeen niet voldoende dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar een voorontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Nu ten tijde van het besluit van 8 maart 2011 zelfs nog geen voorontwerp ter inzage was gelegd, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

Dat het college inmiddels een voorontwerp van het bestemmingsplan ""Scherpenbergh Golfbaan"" ter inzage heeft gelegd, geeft, gelet op vorenoverwogene, geen grond voor een ander oordeel.

2.7. De golfclub betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college in dit geval van handhavend optreden diende af te zien.

2.7.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt geacht, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat handhavend optreden voor de golfclub zodanig bezwarend is, dat het college daarvan om die reden diende af te zien. In dit verband is van belang dat het gebruiken van de oefenholes in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan niet kon worden beschouwd als een overtreding van geringe aard en ernst. Voorts is de omstandigheid dat, naar de golfclub heeft gesteld, de vereniging geen belang heeft bij het staken van het gebruik van de oefenholes, wat daarvan zij, evenmin een omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden diende af te zien, reeds gelet op het algemeen belang dat met handhavend optreden is gediend. Dat de golfclub met het voldoen aan de last, naar zij stelt, in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de desbetreffende belangen van de golfclub geen doorslaggevend gewicht toekomt. Daarbij is mede van belang dat de golfclub, door in strijd met het bestemmingsplan de oefenholes te gebruiken, dit risico heeft aanvaard.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011

476.