Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
201102427/1/H1 en 201102427/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2010, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan [vergunninghouder] onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning aan de [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102427/1/H1 en 201102427/2/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 12 januari 2011 in zaak nr. 10/2006 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2010, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan [vergunninghouder] onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning aan de [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De aan te brengen dakopbouw met plat dak heeft een rechthoekige vorm en strekt zich uit over de gehele breedte van de hoekwoning. De voor- en zijgevel ervan staan in het verlengde van de bestaande voor- en zijgevel. De zijgevel sluit wat de diepte betreft aan bij de onderliggende verdieping. Op ongeveer 3,3 m van de zijgevel is de dakopbouw ongeveer 3,3 m teruggelegd ten opzichte van de achtergevel.

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Benoordenhout", omdat de maximaal toegestane goothoogte van 6 m en het maximaal toegelaten aantal bouwlagen van twee wordt overschreden. Om voor de verwezenlijking ervan toch vergunning te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening, ontheffing van het bestemmingsplan verleend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ontheffing niet in overeenstemming is met de "Kadernota Dakopbouwen 2006" (hierna: de kadernota), waarin staat dat voor een dakopbouw van een hoekwoning een bijzondere oplossing wenselijk wordt geacht, terwijl in dit geval geen bijzondere oplossing voorligt, nu door realisering van de dakopbouw een blinde muur van ongeveer 35 m² zal ontstaan. Voorts heeft de rechtbank miskend dat de in de kadernota opgenomen 40 graden richtlijn, die geldt voor de achterzijde van dakopbouwen, ten onrechte niet is toegepast op de zijgevel van de woning, aldus [appellant].

2.4.1. In de kadernota is uiteengezet, waar in de gemeente dakopbouwen worden toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. In de nota is met betrekking tot dakopbouwen van een hoekpand vermeld dat, afhankelijk van het gekozen type dakopbouw en de stedenbouwkundige/architectonische situatie ter plaatse, een bepaalde beëindiging van het blok gewenst zal zijn. Vermeld is voorts dat de kadernota zich niet vastlegt op deze beëindiging, maar dit ziet als een bijzondere ontwerpopgave, hetgeen in overeenstemming met de welstand nader zal worden ingevuld.

Het college heeft zijn oordeel omtrent welstand en daarmee over de vraag of de dakopbouw op dit onderdeel strookt met het volgens de kadernota gevoerde beleid gebaseerd op een positief advies van de Welstands- en Monumentencommissie (hierna: de welstandscommissie) van 14 oktober 2009 dat de dakopbouw een voortzetting is van al eerder door haar geaccordeerde dakopbouwen in de straat. De welstandscommissie acht de dakopbouw in contour, volumeopbouw, architectonische uitwerking, materialisatie, detaillering en kleurstelling op zorgvuldige wijze gerelateerd aan de architectuur van de woning, het woningblok en de omgeving.

[appellant] heeft niet aangevoerd dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onjuistheden bevat. De rechtbank heeft dan ook terecht in het aangevoerde geen grond gezien voor het oordeel dat het college het advies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet hierop, heeft zij daarin terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de zogeheten 40 graden contour ten onrechte niet is toegepast op de zijgevel van de dakopbouw.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte door hem niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat zijn woongenot door de vermindering van lichtinval en de beperking van het uitzicht onevenredig zal worden aangetast. Met foto's heeft hij aangetoond dat door het bouwplan een blinde muur wordt gerealiseerd, waardoor vanuit de eerste verdieping van zijn woning een groot deel van het uitzicht en daarmee daglichttoetreding zal verdwijnen, aldus [appellant].

2.5.1. De achtertuin van [appellant] grenst aan de achtertuin van het perceel. Vanuit zijn woning heeft [appellant] direct zicht op de zijgevel van de woning op het perceel. Niet in geschil is dat realisering van het bouwplan negatieve gevolgen zal hebben voor het uitzicht van [appellant] en de zon- en daglichttoetreding in zijn woning. De rechtbank heeft daarin evenwel terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat realisering van de dakopbouw zal leiden tot een zodanige vermindering van lichtinval en uitzicht, dat het college om die reden niet in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan is voorzien in een stedelijke omgeving en geen aanspraak op blijvend uitzicht bestaat. Voorts wordt in aanmerking genomen dat volgens het in zoverre niet bestreden in beroep overgelegde verslag van een bezonningsonderzoek van 2 juni 2010 de schaduweffecten van het bouwplan gering zijn en na realisering van het bouwplan in de maand februari nog ruim vijf uur zonlichttoetreding per dag resteert. Voorts is van belang dat benutting van de in het bestemmingsplan voorziene bebouwingsmogelijkheden op het perceel ook tot een beperking van daglichttoetreding en uitzicht zou leiden, nu dat plan het aanbrengen van een kapverdieping op de twee bouwlagen toelaat. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011

17-604.