Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
201102952/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7076, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit geval is niet gebleken dat het terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is geacht. De rechtmatigheid van het terugkeerbesluit staat aldus, zoals de rechtbank terecht stelt in overweging 10 van de aangevallen uitspraak, in deze procedure niet ter beoordeling. De rechtbank diende daarom van de rechtmatigheid van dat besluit uit te gaan en kon niet meer toekomen aan de beantwoording van de vraag of aan de vreemdeling, gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, ten onrechte een terugkeerbesluit was uitgereikt. Door te overwegen dat de minister niet gehouden was aan de vreemdeling een bevel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn te geven, heeft de rechtbank dit niet onderkend. Nu de grief tegen deze overweging is gericht, kan zij reeds daarom niet tot het ermee beoogde resultaat leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102952/1/V3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 7 maart 2011 in zaak nr. 11/5838 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn) vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

Ingevolge het tweede lid wordt de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is lid 1 van toepassing.

2.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2011 in zaak nr. 201009741/1/V3 (www.raadvanstate.nl), geoordeeld dat de minister niet gehouden was aan de vreemdeling een bevel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn te geven.

In de enige grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te oordelen, niet heeft onderkend dat niet vaststaat dat de Spaanse autoriteiten hem de toegang tot hun grondgebied mogen en zullen weigeren. De vreemdeling heeft een geldige Spaanse verblijfsvergunning en een origineel Algerijns paspoort. Dat de geldigheidsduur van het paspoort is verstreken, betekent niet dat daarmee niet zijn identiteit en nationaliteit kunnen worden aangetoond. Bovendien kende de minister de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. Anders dan in de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 2002 in zaak C-459/99, BRAX (www.curia.europa.eu), is in dit geval geen sprake van een kopie van een paspoort, staan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast en heeft hij rechtmatig verblijf in Spanje. Hij had derhalve op grond van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn de opdracht moeten krijgen zich onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje te begeven, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Op 18 februari 2011 heeft de minister aan de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgereikt. Dit besluit is afzonderlijk van de maatregel van bewaring genomen.

In de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen dat in een zodanig geval het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vreemdelingenwet 2000 thans eraan in de weg staat dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Eerst indien een zodanig terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is gebleken, kan de rechter die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel.

In dit geval is niet gebleken dat het terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is geacht. De rechtmatigheid van het terugkeerbesluit staat aldus, zoals de rechtbank terecht stelt in overweging 10 van de aangevallen uitspraak, in deze procedure niet ter beoordeling. De rechtbank diende daarom van de rechtmatigheid van dat besluit uit te gaan en kon niet meer toekomen aan de beantwoording van de vraag of aan de vreemdeling, gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, ten onrechte een terugkeerbesluit was uitgereikt. Door te overwegen dat de minister niet gehouden was aan de vreemdeling een bevel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn te geven, heeft de rechtbank dit niet onderkend. Nu de grief tegen deze overweging is gericht, kan zij reeds daarom niet tot het ermee beoogde resultaat leiden.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

551.

Verzonden: 29 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser