Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201011638/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het dagelijks bestuur [appellant A] op straffe van een dwangsom gelast om betonbakken met bamboeplanten op de weg ter hoogte van het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011638/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2010 in zaak nr. 09/3946 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het dagelijks bestuur [appellant A] op straffe van een dwangsom gelast om betonbakken met bamboeplanten op de weg ter hoogte van het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 januari 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 (hierna: de APV), voor zover thans van belang, wordt verstaan onder weg: voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten.

Ingevolge artikel 2.1.9, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

Ingevolge het zesde lid, voor zover thans van belang, is dit artikel niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Ingevolge artikel 2.1.9a kan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.9 worden geweigerd of ingetrokken:

a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;

b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de eisen van welstand;

c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft [appellant A] op grond van artikel 2.1.9 van de APV gelast de betonbakken op het aan zijn woonboot grenzende dijklichaam ter hoogte van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, omdat hij die betonbakken zonder vergunning heeft geplaatst en die de openbare weg zodanig belemmeren dat deze niet meer voor elke weggebruiker toegankelijk is. Daarnaast passen de betonbakken volgens het dagelijks bestuur niet in de omgeving. Met de geplaatste betonbakken komen aldaar de verkeersveiligheid, de mogelijkheid tot het plegen van onderhoud aan de weg en het vrije zicht op de Rotte in het geding, aldus het dagelijks bestuur. In dat besluit is voorts gesteld dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan van handhaving behoort te worden afgezien. Evenmin is het dagelijks bestuur gebleken dat handhaving voor [appellant A] zodanig onevenredig is dat het in redelijkheid niet daaraan heeft kunnen vasthouden.

2.3. [appellant A] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de betonbakken in de berm van de weg en daarmee op de weg stonden, heeft miskend dat een dijklichaam niet als berm kan worden aangemerkt. Ter zitting heeft [appellant A] nog gesteld dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 2.1.9, zesde lid, van de APV. Voorts is de rechtbank er volgens [appellant A] ten onrechte aan voorbijgegaan dat voorheen ter plaatse een schuur en een hoge haag waren geplaatst die bescherming boden tegen inkijk en schending van privacy. De rechtbank heeft miskend dat door de gemeente gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, aldus [appellant A].

2.3.1. Niet in geschil is dat de Terbregse Rechter Rottekade een weg is als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de APV. Volgens deze bepaling behoort de berm eveneens tot de weg. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de betonbakken die [appellant A] had geplaatst zich bevonden in de berm van de Terbregse Rechter Rottekade en derhalve op de weg als bedoeld in voormelde bepaling. De Afdeling kan [appellant A] derhalve niet volgen in zijn betoog dat ter plaatste geen berm aanwezig is, omdat de weg is gelegen op een dijklichaam.

2.3.2. Artikel 2.1.9, zesde lid, van de APV, voor zover thans van belang, is slechts van toepassing op waterstaatswerken die in beheer zijn bij het Rijk. De weg langs de Rotte behoort daar niet toe. Voorts doet de omstandigheid dat [appellant A] over een vergunning van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het college) beschikt, anders dan [appellant A] ter zitting heeft gesteld, aan de toepasselijkheid van artikel 2.1.9, eerste lid, van de APV niet af.

De conclusie is dat in strijd met deze bepaling is gehandeld. Het dagelijks bestuur was terzake bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.3. Het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van het strijdig gebruik geen concreet zicht op legalisatie bestaat, is in hoger beroep niet weersproken.

2.3.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant A] op het vertrouwensbeginsel faalt. De enkele omstandigheid dat het dagelijks bestuur bekend was met de illegale situatie, maar gedurende lange tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, als gesteld, brengt niet met zich dat niet meer handhavend mocht worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het dagelijks bestuur in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Voorts brengt die omstandigheid niet met zich dat het dagelijks bestuur bij [appellant A] het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat ook in de toekomst niet handhavend zal worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat het dagelijks bestuur ter zake concrete en ondubbelzinnige mededelingen heeft gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Er is niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur [appellant A] op enig moment te kennen heeft gegeven dat hij zonder vergunning de bedoelde betonbakken mocht plaatsen en dat van handhavend optreden zou worden afgezien. Evenmin leidt de door het college verleende vergunning tot het oordeel dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien, reeds omdat deze vergunning niet is verleend door het dagelijks bestuur.

Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat geen grond is te vinden voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang dat daarvan behoorde te worden afgezien. Aan de door [appellant A] gestelde omstandigheid dat voorheen ter plaatse een schuur en een hoge haag waren geplaatst, die bescherming boden tegen inkijk en schending van privacy, heeft het dagelijks bestuur terecht geen doorslaggevend gewicht toegekend.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

97-597.