Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201100826/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] ontheffing en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel [locatie] te Broek in Waterland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2011/172 met annotatie van B. Rademaker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100826/1/H1.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B],

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B],

allen wonend te Broek in Waterland, gemeente Waterland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 december 2010 in zaken nrs. 10-1962 en 10-1961 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], en

2. [appellant sub 1 B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] ontheffing en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel [locatie] te Broek in Waterland (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2011, en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 11 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], bijgestaan door M.C.T. Henschen, en [appellant sub 2 B], bijgestaan door mr. L.E. de Geer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.J. van der Tol en A.M. van Melick-van Staalduine, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de beroepen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] niet-ontvankelijk zijn. Daartoe voeren zij aan dat [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hun beroepschriften niet binnen de daartoe gestelde termijn van gronden hebben voorzien.

2.2. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben op respectievelijk 15 en 16 april 2010 elk bij de rechtbank een beroepschrift ingediend, dat, hoe summier ook, gronden bevat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht niet aan hen kan worden tegengeworpen.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Broek in Waterland" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden categorie I -WI-".

Ingevolge artikel 11, lid 2.2, onder c, van de planvoorschriften geldt voor de bestemming "WI" als uitgangspunt voor de oppervlakte, de goothoogte, de bouwhoogte, de kapvorm en de nokrichting van de hoofdgebouwen de situatie zoals die bestond ten tijde van het ter inzage leggen van het plan.

Ingevolge lid 2.2, onder e, mag de bestaande afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens niet worden verkleind.

Ingevolge lid 3.3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2.2, onder c en e, ten behoeve van een herschikking van een bouwperceel (andere situering van de bebouwing op het perceel), onder, voor zover thans van belang, de voorwaarden dat het grondoppervlak van de bestaande bebouwing (inclusief aan- en uitbouwen) met niet meer dan 25% wordt vergroot en het te bebouwen oppervlak niet meer dan 25% van het bouwperceel bedraagt en de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast, waarbij aansluiting dient te worden gezocht bij de rooilijnen in de omgeving.

2.4. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een nieuw hoofdgebouw op een andere locatie op het bouwperceel dan de bestaande te slopen schuur. Het bouwplan wijkt op meerdere punten af van de bestaande situatie en is mitsdien in strijd met de planvoorschriften. Het college heeft met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met artikel 11, lid 3.3, van de planvoorschriften, ontheffing voor het bouwplan verleend.

2.5. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen ontheffing voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe stellen zij dat het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarde dat de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast. In dat kader voeren zij aan dat ten onrechte geen aansluiting is gezocht bij de rooilijnen van het bestaande bebouwingslint en van het nieuwe lint aan Het Dee en voorts dat de oorspronkelijk voorgestane aansluiting met de beoogde nieuwe ontwikkeling direct ten noorden van het perceel ten onrechte is losgelaten. Zij stellen dat het bouwplan resulteert in een positionering van de bebouwing die strijdig is met het bestemmingsplan en die voorts nadelige gevolgen zal hebben voor hun woongenot.

2.5.1. Het college heeft ten aanzien van de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan in zijn besluit verwezen naar het advies van stedenbouwkundig adviesbureau HzA (hierna: HzA) van 27 oktober 2009. Daarin zijn ruimtelijke uitgangspunten geformuleerd voor de ontwikkeling van een woning op het perceel, waarbij de ligging van de nieuwe woning is bezien als onderdeel van het beschermd dorpsgezicht in plaats van als aansluiting bij mogelijke nieuwe ontwikkelingen direct ten noorden van het perceel. Als uitgangspunten zijn onder meer genomen dat de ruimtelijke samenhang met de bestaande stolpboerderij dient te worden versterkt en dat het bouwplan dient te worden beschouwd als de beëindiging van het historische dorp, zoals betrokken in de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht. Naar aanleiding hiervan is het bouwplan aangepast overeenkomstig het advies. In hetgeen [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het stedenbouwkundig advies van HzA niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op de beoogde situering van de woning, waarbij deze is georiënteerd op de bestaande stolpboerderij aan het Leeteinde, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wordt voldaan aan de in artikel 11, lid 3.3, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast. In het door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] aangevoerde is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat het bouwplan niet aan de overige aan het verlenen van ontheffing gestelde voorwaarden voldoet. De gestelde omstandigheid dat het bouwplan in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan, wat daarvan zij, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college voor het bouwplan geen ontheffing heeft mogen verlenen, reeds omdat het bestemmingsplan in artikel 11, lid 3.3, van de planvoorschriften uitdrukkelijk in die ontheffingsmogelijkheid voorziet.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] gestelde belang bij bescherming van hun privacy en uitzicht voor het college in redelijkheid aanleiding had dienen te zijn af te zien van het verlenen van binnenplanse ontheffing voor het bouwplan, in aanmerking genomen de afstand tussen de woningen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en de te bouwen woning van respectievelijk 30 en 35 meter. Daarbij komt tevens betekenis toe aan de omstandigheid dat maximaal 25% van het bouwperceel mag worden bebouwd. Hieruit volgt dat het perceel hoofdzakelijk groen en onbebouwd blijft.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het welstandsadvies van de Commissie Stads- en Dorpsbeheer (hierna: de commissie) gebrekkig tot stand is gekomen, nu het is gebaseerd op vooronderstellingen die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Voorts trekken zij de stedenbouwkundige deskundigheid van de commissie in twijfel.

2.6.1. De commissie heeft op 15 december 2009 ingestemd met het bouwplan, zoals aangepast na eerder uitgebrachte adviezen van de commissie met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten ervan. Wat er zij van de omstandigheid dat de deskundige op stedenbouwkundig terrein niet aan de beraadslagingen van de commissie heeft deelgenomen, [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben ter zitting niet betwist dat die beraadslagingen in overeenstemming met het daartoe vastgestelde reglement van orde hebben plaatsgevonden. In het door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] aangevoerde is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies van de commissie aan zijn oordeel dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de aan de orde zijnde bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Nu de van het bestemmingsplan afwijkende situering van het bouwplan met een binnenplanse ontheffing mogelijk wordt gemaakt, dient deze in het kader van de welstandsadvisering daarom als een gegeven te worden beschouwd. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd. De door de Historische Vereniging Oud Broek tegen het besluit ingediende zienswijze kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

392.