Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201008813/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2008 heeft de Belastingdienst het voorschot huurtoeslag over 2008 op nihil gesteld en bij besluit van 18 september 2008 is het tot dan toe uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.607,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008813/1/H2.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heerenveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2010 in zaak nr. 09/2743 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2008 heeft de Belastingdienst het voorschot huurtoeslag over 2008 op nihil gesteld en bij besluit van 18 september 2008 is het tot dan toe uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.607,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2010, verzonden op 4 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2010, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

Door [appellant] zijn nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij brieven van 5 januari 2011 en 10 januari 2011 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) worden voorschotten, indien deze zijn verleend, verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst het voorschot huurtoeslag over 2008 op juiste gronden heeft teruggevorderd. Hij voert aan dat hij de aanvraag te goeder trouw en met hulp van de Belastingtelefoon heeft ingevuld, en dat daarom, ondanks dat de huurtoeslag volgens [appellant] terecht is stopgezet, de terugvordering van de reeds uitgekeerde voorschotten onterecht is.

2.2.1. Vaststaat dat [appellant] geen recht had op huurtoeslag over 2008, omdat het gezamenlijke verzamelinkomen van [appellant], zijn toeslagpartner en de medebewoner te hoog was om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Uit artikel 24, tweede en derde lid, van de Awir volgt dat verleende voorschotten worden verrekend met de tegemoetkoming en dat dit kan leiden tot een terug te vorderen bedrag. Artikel 26 schrijft dwingend voor dat, indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst van terugvordering kan afzien. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de Belastingdienst gehouden was de uitbetaalde voorschotten huurtoeslag over 2008 terug te vorderen.

Evenzeer heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvrager zelf verantwoordelijk is voor het indienen van een op alle punten juiste aanvraag en dat het onjuist invullen ervan in beginsel voor risico komt van [appellant].

[appellant] heeft betoogd dat hij er op mocht vertrouwen dat hij de aanvraag met behulp van de Belastingtelefoon volledig en correct heeft ingevuld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1) kan van in rechte te honoreren vertrouwen pas sprake zijn indien een aan de Belastingdienst toe te rekenen toezegging of informatie uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is gegeven. Nu onduidelijk is welke inlichtingen door de Belastingtelefoon aan [appellant] zijn verstrekt en welke informatie [appellant] aan de Belastingdienst heeft verschaft, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen. Het betoog faalt.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat in de bezwaarprocedure niet naar zijn uitleg en zijn verklaring is geluisterd, treft geen doel. [appellant] is op 10 september 2009 gehoord. Dat de bezwaarprocedure niet heeft geleid tot een voor hem wenselijke uitkomst, leidt niet tot de conclusie dat de Belastingdienst hem niet heeft gehoord. Het betoog faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

362-705.