Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201101667/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Duinzoom" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101667/1/R2.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Duinzoom" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2011, waar [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door ing. B. van Gils en mr. M.A.Y. Schenk-Syswerda, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Zeeland, vertegenwoordigd door ing. K. Verhage en J.P. de Maat, beiden werkzaam bij de provincie, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd een natuurontwikkelingsproject in het kader van het natuur- en landschapsplan Duinzoom Schouwen West (hierna: het landschapsplan Duinzoom) mogelijk te maken. Een aantal percelen dat in het vorige bestemmingplan een agrarische bestemming had, heeft in dit plan de bestemming "Natuur" gekregen. Voorts maakt het plan de bouw van één nieuwe woning mogelijk.

2.2. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover hun aan het plangebied grenzende percelen niet in het plan zijn opgenomen. Volgens hen hadden deze gronden in het plan betrokken moeten worden, nu in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met alle in een gebied aanwezige belangen.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan uitsluitend de gronden omvat welke zijn verworven ten behoeve van het natuurontwikkelingsproject, aangezien de natuurontwikkeling hierop zal worden gerealiseerd en deze gronden derhalve als een inrichtbare eenheid zijn te beschouwen.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat de percelen van [appellanten] geen deel uitmaken van het plangebied. Voor zover zij zich niet kunnen verenigen met de begrenzing van het plan overweegt de Afdeling dat gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het plan strekt ter realisering van het natuurontwikkelingsproject op de daarvoor aangekochte gronden, waarvan de percelen van [appellanten] geen deel uitmaken.

2.3. [appellanten] betogen dat onduidelijk is welke gevolgen het plan heeft voor hun aan het plangebied grenzende percelen. In dit kader wijzen zij erop dat de raad voor de concrete inrichting van het plangebied verwijst naar een nog nader vast te stellen inrichtingsplan, waarin volgens de raad onder meer duidelijkheid zal worden geschapen over de waterhuishouding in het plangebied en het recreatief medegebruik. [appellanten] betogen dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen en vrezen onaanvaardbare overlast ten gevolge van de natuurontwikkeling. Zij stellen dat ten onrechte geen rechtsbescherming open staat tegen de aspecten die in het inrichtingsplan zullen worden geregeld.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het inrichtingsplan een inrichting kan en zal worden gekozen waardoor aan het plangebied grenzende percelen geen onaanvaardbare hinder zullen ondervinden ten gevolge van de natuurontwikkeling. In de aan het plan ten grondslag gelegde afweging is voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellanten], aldus de raad.

2.3.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan de percelen waar natuurontwikkeling is voorzien de bestemming "Natuur" is toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

b. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets-, en wandel- en ruiterpaden en voorzieningen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels, voor zover thans van belang, is het verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

c. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

Ingevolge artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels, zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1 slechts toelaatbaar, indien daardoor de in lid 4.1.a genoemde waarden en wezenlijke kenmerken van de gronden:

a. niet worden aangetast;

b. niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zo nodig compenserende maatregelen worden getroffen.

2.3.3. In de plantoelichting is vermeld dat het plan voortvloeit uit het landschapsplan Duinzoom. In het kader hiervan dient te worden voorzien in 211 hectare bos en beplanting, 251 hectare natuurontwikkeling en 80 hectare recreatie. Het gebied "Duinzoom" zal worden ontwikkeld tot een overgangsgebied van de duinen naar de polder. Het plangebied is gekozen als één van de locaties voor de verwezenlijking hiervan. In de plantoelichting is vermeld dat waterhuishoudkundige maatregelen zullen worden genomen ten gevolge van de realisering van het natuurontwikkelingsgebied. Hoewel onduidelijk is welke maatregelen zullen worden genomen, mogen deze geen nadelige effecten hebben op de aan het plangebied grenzende percelen. Indien dat wel het geval is zullen compenserende maatregelen worden getroffen. Voorts is in het verweerschrift vermeld dat in het natuurontwikkelingsgebied extensieve dagrecreatie mogelijk zal worden gemaakt, in het kader waarvan fiets-, wandel- en ruiterpaden zullen worden aangelegd. Hoewel de ligging hiervan nog niet bekend is, mag dit niet leiden tot geluidsoverlast voor omwonenden. Voormelde aspecten zullen meer gedetailleerd worden uitgewerkt in een nog nader vast te stellen inrichtingsplan.

2.3.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het beroep van [appellanten] in het bijzonder betrekking heeft op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in en rondom het plangebied en de gevolgen van het toegestane recreatief medegebruik. De Afdeling begrijpt hieruit dat de bezwaren zien op de dichtstbij de percelen van [appellanten] gelegen gronden met de bestemming "Natuur". Dat voor deze gronden in het inrichtingsplan een inrichting zal worden gekozen waardoor de percelen van [appellanten], naar gesteld door de raad, geen onaanvaardbare hinder zullen ondervinden en dat derhalve rekening zal worden gehouden met de belangen van [appellanten] bij de realisering van het natuurontwikkelingsgebied, neemt niet weg dat de planregels ter zake onvoldoende waarborgen bieden. In het bijzonder ontbreekt in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning dat de belangen van omliggende percelen niet onevenredig mogen worden geschaad.

2.3.5. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Natuur", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaarten, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het besluit dient wat betreft bedoeld plandeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.4. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland van 16 december 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Duinzoom", voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Natuur", zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 67,35 (zegge: zevenenzestig euro en vijfendertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Klein Nulent

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

218-694.

<HR>

Kaart 1

<HR>

Kaart 2