Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201006810/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.20, eerste en vierde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) vastgesteld voor de door Octatube gedreven inrichting voor de vervaardiging van ruimtelijke constructies, gelegen aan de Rotterdamseweg 200 te Delft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.40
Wet milieubeheer 8.42
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2011/103 met annotatie van de Graaf
JOM 2011/607
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4865
M en R 2011/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006810/1/M1.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Octatube Space Structures B.V., gevestigd te Delft,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.20, eerste en vierde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) vastgesteld voor de door Octatube gedreven inrichting voor de vervaardiging van ruimtelijke constructies, gelegen aan de Rotterdamseweg 200 te Delft.

Bij besluit van 21 april 2010, verzonden op 3 juni 2010, heeft het college het door Octatube hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Octatube bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2011, waar Octatube, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, advocaat te 's-Gravenhage, en A.A. van der Griend, en het college, vertegenwoordigd door M.M. Merkx en P. Zonneveld, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid en artikel 1.6, eerste lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit tot vaststelling van een maatwerkvoorschrift voor de inwerkingtreding van de Wabo is genomen.

In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 11 maart 1998 heeft het college aan Octatube een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van haar inrichting en het na die verandering in werking hebben van haar inrichting voor de vervaardiging van ruimtelijke constructies aan de Rotterdamseweg 200 te Delft (hierna: de vergunning). De inrichting is gelegen op het krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein "Schie-oevers Noord en Zuid", waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Door de met de aan Octatube bij de vergunning vergunde activiteiten gepaard gaande geluiduitstraling wordt blijkens een door het college opgesteld akoestisch model de toegestane geluidbelasting buiten de vastgestelde zone overschreden. De bij besluit van 11 maart 1998 verleende vergunning is met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 komen te vervallen.

2.3. Nu de inrichting van Octatube sinds 1 januari 2008 onder de werking van het Activiteitenbesluit valt, heeft het college op grond van artikel 65 van de Wet geluidhinder op het betreffende overschrijdingspunt van de zone voor de maximale geluidbelasting een waarde van 52 dB(A) vastgesteld. Opdat de inrichting aan deze waarde kan voldoen, heeft het college bij besluit van 12 februari 2008 bij maatwerkvoorschrift bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting van Octatube aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de inrichting van Octatube verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op beoordelingpunt ZO3b (circa 16 meter ten noordoosten van de grens van het bedrijf) op 5 meter hoogte, niet meer mag bedragen dan 51 dB(A) tussen 7.00 uur en 19.00 uur, 46 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 41 dB(A) tussen 23.00 uur en 7.00 uur.

2.4. Ingevolge artikel 2.17, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, geldt voor een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten niet meer mag bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17 bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) vaststellen.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen over de plaats waar, voor zover hier van belang, de waarden bedoeld in artikel 2.17 voor een inrichting gelden.

2.5. Octatube betoogt dat het besluit van 12 februari 2008 ten onrechte niet met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot stand is gekomen. Octatube betoogt dat zij hierdoor ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijzen naar voren te brengen.

2.5.1. Het college betoogt dat het niet verplicht is afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van een besluit tot het vaststellen van een maatwerkvoorschrift toe te passen. Het college stelt zich op het standpunt dat het horen, als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb, op grond van artikel 4:11 van de Awb achterwege kon worden gelaten, omdat Octatube al in de procedure tot ambtshalve wijziging van de inmiddels vervallen vergunning in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Daarnaast betoogt het college dat Octatube niet in haar belang is geschaad, aangezien zij tijdens de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting in de gelegenheid is gesteld haar bezwaar nader toe te lichten.

2.5.2. Met betrekking tot het vaststellen van een maatwerkvoorschrift ingevolge artikel 2.20, eerste en vierde lid, van het Activiteitenbesluit behoort het tot de keuzevrijheid van het college om afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. Het college heeft er in dit geval niet voor gekozen.

Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb dient een bestuursorgaan, voor zover hier van belang, bij het ambtshalve vaststellen van een maatwerkvoorschrift een belanghebbende die naar verwachting bedenkingen zal hebben wel in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.

Ingevolge artikel 4:11, aanhef en onder b, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het bestuursorgaan toepassing van artikel 4:8 achterwege laten voor zover de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.

2.5.3. Niet in geschil is dat Octatube in de procedure tot ambtshalve wijziging van de inmiddels vervallen vergunning in de gelegenheid is gesteld haar zienswijzen tegen het in die procedure opgestelde ontwerpbesluit naar voren te brengen. Het besluit van 12 januari 2008 behelst ten opzichte van het ontwerpbesluit van 21 juni 2007 strekkende tot ambtshalve wijziging van de vergunning slechts een wijziging ten voordele van Octatube van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingpunt ZO3b op 5 meter hoogte. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat zich sindsdien nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:11, aanhef en onder b, van de Awb, hebben voorgedaan.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college op grond van artikel 4:11, aanhef en onder b, van de Awb toepassing van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb achterwege heeft kunnen laten.

Overigens is uit de stukken gebleken dat Octatube in de bezwaarprocedure met betrekking tot het besluit van 12 februari 2008 tot het vaststellen van het maatwerkvoorschrift tijdens de op 24 september 2009 gehouden hoorzitting is gehoord.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Octatube betoogt dat het besluit tot het vaststellen en het in het bestreden besluit op bezwaar in stand laten van het maatwerkvoorschrift niet berust op een deugdelijke motivering. In dit verband voert zij aan dat het college niet, althans onvoldoende heeft uiteengezet waarom het van oordeel is dat in dit concrete geval vanwege een bijzondere omstandigheid een maatwerkvoorschrift moet worden gesteld. Volgens Octatube kon het college voor zijn oordeel dat door de geluiduitstraling van de inrichting van Octatube de toegestane geluidbelasting buiten de vastgestelde zone wordt overschreden niet volstaan met het enkel verwijzen naar een door het college opgesteld akoestisch model. Ook heeft het college volgens Octatube geen rekening gehouden met nieuwe bedrijven die zich hebben gevestigd op het industrieterrein en die hebben bijgedragen aan een hogere geluidbelasting. Daarnaast betoogt Octatube dat het college in het ontwerpbestemmingsplan TU Midden voor het deel van het plangebied waarin de inrichting van Octatube is gevestigd, anders dan het thans doet voorkomen, een industrielawaaicontour van 55 dB(A) heeft vastgesteld.

2.6.1. Het college betoogt dat vanwege de wettelijke verplichting om er zorg voor te dragen dat de geluidzone niet wordt overschreden en de uit artikel 8:22, tweede lid, van de Wet milieubeheer voortvloeiende actualiseringsplicht het stellen van een maatwerkvoorschrift noodzakelijk was, aangezien uit het door het college opgesteld akoestisch model naar voren komt dat de overschrijding van de geluidzone volledig wordt veroorzaakt door de geluiduitstraling van de inrichting van Octatube, te weten 54 dB(A) op de geluidzone.

2.6.2. De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat het in artikel 6.1 van het Activiteitenbesluit beschreven overgangsrecht in samenhang met artikel 8.42, vierde lid, van de Wet milieubeheer zich niet verzet tegen de vaststelling van een maatwerkvoorschrift ter aanvulling van de als maatwerkvoorschriften doorlopende voorschriften van de op 1 januari 2008 vervallen vergunning.

Ingevolge artikel 8.42, tweede lid, in samenhang met de artikelen 8.40, derde lid, artikel 8.22, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer rust, voor zover hier van belang, op het bevoegd gezag met betrekking tot maatwerkvoorschriften een actualiseringsplicht indien door het in werking zijn van een inrichting de geldende grenswaarde, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 40 en 65 van de Wet geluidhinder, niet kan worden nageleefd.

2.6.3. Het college is bij de beoordeling van de vraag of door de inrichting van Octatube de grenswaarde voor de geluiduitstraling vanwege het industrieterrein wordt overschreden terecht uitgegaan van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende grenswaarde voor de geluiduitstraling vanwege het industrieterrein en niet van de in het ontwerpbestemmingsplan TU Midden van 27 september 2006 gestelde grenswaarde.

In hetgeen Octatube heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet het door hem opgestelde akoestisch model mocht hanteren, noch aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op basis van dit model op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het in werking zijn van de inrichting van Octatube de op basis van de artikelen 40 en 65 van de Wet geluidhinder vastgestelde grenswaarde voor de geluiduitstraling vanwege het industrieterrein wordt overschreden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Octatube betoogt dat het maatwerkvoorschrift een onevenredige inbreuk maakt op haar belangen. Het college heeft volgens Octatube in strijd met artikel 8.42, tweede lid, en artikel 8.40, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeer geen rekening gehouden met de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de maatregel. Volgens Octatube had het op de weg van het college gelegen om op grond van artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit een ruimer maatwerkvoorschrift te stellen. In dit verband voert Octatube aan dat het maatwerkvoorschrift de logistieke processen zodanig schaadt dat gevreesd wordt voor de continuïteit van haar bedrijfsvoering. Uit het akoestisch rapport van Sonus van 6 maart 2009, dat is opgesteld in opdracht van Octatube, komt naar voren dat Octatube alleen aan de geluidwaarden van het gestelde maatwerkvoorschrift kan voldoen, indien de deur aan de oostgevel van het bedrijf gedurende de dagperiode gesloten blijft. Het openhouden van deze deur is volgens Octatube echter essentieel voor de bedrijfsvoering, aangezien de vrachtwagens die grote ondeelbare materialen aan- en afvoeren vanwege de lengte niet geheel in de fabriekshal passen. Alternatieven die het in de fabriekshal geproduceerde geluid kunnen beperken heeft Octatube onderzocht en blijken niet mogelijk te zijn.

2.7.1. Het college betoogt dat de verplichting de buiten de zone toegestane geluidbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein te bewaken, een milieukwaliteitseis is waarvan het bevoegd gezag niet kan afwijken. Het tegengaan van overschrijdingen van de geluidzone dient volgens het college daardoor te prevaleren boven redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de vaststelling van het maatwerkvoorschrift voor Octatube.

2.7.2. Uit de in artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neergelegde verplichting de in deze bepaling bedoelde grenswaarden uit de Wet geluidhinder in acht te nemen, vloeit voort dat het college geen ruimte had voor belangenafweging. De beroepsgrond faalt.

2.8. Octatube betoogt dat het door het college gestelde maatwerkvoorschrift niet voldoende duidelijk is. In dit verband voert zij aan dat de formulering "het in beginsel gesloten houden van de bedrijfsdeuren, dan wel gesloten houden bij lawaaimakende werkzaamheden gedurende de dagperiode" geen enkel houvast biedt voor Octatube in welke situatie zij wel of niet aan het maatwerkvoorschrift dient te voldoen.

2.8.1. Het college betoogt dat de passage die door Octatube als onduidelijk wordt ervaren als toelichting bij het maatwerkvoorschrift heeft te gelden. Het college stelt zich op het standpunt dat het maatwerkvoorschrift voldoende duidelijk is, aangezien hierin in lijn met artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, een norm is voorgeschreven en niet een middel om Octatube de vrijheid te bieden om zelf te bezien welke maatregelen zij wil treffen om aan de geluidnorm te voldoen.

2.8.2. In het maatwerkvoorschrift zijn geluidgrenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op beoordelingspunt Z03b op 5 meter hoogte. Octatube dient ervoor zorg te dragen dat bij het in werking zijn van de inrichting de in het maatwerkvoorschrift gestelde geluidgrenswaarden niet worden overschreden. Dit voorschrift is een doelvoorschrift. Doelvoorschriften bevatten doeleinden die een vergunninghouder met het oog op het belang van de bescherming van het milieu met door hem te bepalen middelen moet realiseren. Het vastgestelde maatwerkvoorschrift, zoals weergegeven in overweging 2.3., is voldoende duidelijk. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

159-678.