Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201011852/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011852/1/H3.

Datum uitspraak: 24 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 29 oktober 2010 in zaken nrs. 10/3151 en 10/3163 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Chedie, advocaat te Rotterdam, en F. Swanen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.G. Hoebergen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.6.1, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amersfoort 2010 (hierna: de Huisvestingsverordening) kan een woningzoekende, indien hij dringend behoefte heeft aan een (andere) woonruimte, aan burgemeester en wethouders verzoeken hem een urgentieverklaring te verstrekken, mits er sprake is van een dusdanige noodsituatie van de woningzoekende dat - in afwijking van de reguliere wachttijd - een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 2.6.3, aanhef en onder 4, aanhef, kan aanleiding voor verlening van een urgentieverklaring als vermeld in artikel 2.6.1 bestaan in de situatie waarin een sociale indicatie aanwezig is. Van een sociale indicatie is sprake indien, op advies van de hiertoe ingestelde Urgentiecommissie, door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat, in afwijking van de reguliere wachttijd, een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit sociaal oogpunt noodzakelijk is. Ingevolge het bepaalde onder 4, aanhef en onder 2, worden hieronder onder meer onaanvaardbare situaties gerekend waarbij het moet gaan om ernstige, levensbedreigende problemen in relatie tot de huidige woning, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen. Burgemeester en wethouders bepalen wanneer er sprake is van een onaanvaardbare situatie.

Ingevolge artikel 4.1 zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Volgens artikel 6, aanhef en onder b, van de Beleidsregels voor het verdelen van woonruimte in de sociale huursector in de gemeente Amersfoort (hierna: de Beleidsregels) kan op grond van artikel 2.6.3, aanhef en onder 4, aanhef en onder 2, van de Huisvestingsverordening urgentie worden verleend in een levensbedreigende situatie indien een woningzoekende dringend behoefte heeft aan andere woonruimte in geval van dakloosheid door plotselinge overmacht. Onder dakloosheid door plotselinge overmacht wordt verstaan: dakloosheid als gevolg van het onbewoonbaar raken van de woning door een calamiteit waardoor de woning ernstig beschadigd is.

2.2. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aan de in de Huisvestingsverordening gestelde vereisten voor een urgentieverklaring voldoet. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de dreigende dakloosheid van [appellant] niet is ontstaan door plotselinge overmacht, nu hij zijn woning dient te verlaten in verband met de renovatie van de woning die bestemd is voor verkoop met een woonbestemming. Hierbij is van belang dat [appellant] de woning huurde op grond van een onderhuurovereenkomst met [belanghebbende], die op zijn beurt de woning huurde in het kader van de Leegstandswet, hetgeen volgens het college bepaalde risico’s met zich brengt. Voorts heeft het college geen feiten en omstandigheden aanwezig geacht om met toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening af te wijken van de geldende regels. Verder heeft het college te kennen gegeven dat het vreest voor precedentwerking, nu het toepassen van de hardheidsclausule in dit geval als gevolg zal kunnen hebben dat aan een ieder met een minderjarig kind in onderhuur of een tijdelijk contract een urgentieverklaring moet worden verstrekt, hetgeen het college ongewenst acht.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het beleid van het college niet onredelijk is. Voorts voert [appellant] onder verwijzing naar een rapport van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan dat het college ten onrechte heeft gesteld zijn woning dringend nodig te hebben in verband met aanpassingen van het verkeersplein Hoevelaken, nu volgens hem de werkzaamheden aan de woning niet voor 2015 zullen plaatsvinden. Verder betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht een beroep doet op de precedentwerking, nu in Nederland veelvuldig een beroep wordt gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule en niet is gebleken dat het toepassen hiervan tot precedentwerking heeft geleid. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat het college de vrees voor precedentwerking niet deugdelijk heeft gemotiveerd en blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging, aldus [appellant].

2.3.1. Gelet op de grote vraag naar schaarse sociale huurwoningen en het belang van een eerlijke verdeling daarvan, acht de Afdeling met de voorzieningenrechter het beleid van het college niet onredelijk. De voorzieningenrechter heeft verder met juistheid geoordeeld dat de dreigende dakloosheid van [appellant] niet is veroorzaakt door plotselinge overmacht, nu de woning niet onbewoonbaar is door een calamiteit waardoor deze ernstig is beschadigd. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder b, van de Beleidsregels.

Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, hoe zeer deze ook zijn te betreuren, in redelijkheid ontoereikend heeft kunnen achten voor het toepassen van de hardheidsclausule. Hierbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat [appellant] zijn stelling dat zijn zoon bij het niet verkrijgen van een urgentieverklaring bij een pleeggezin zal worden geplaatst niet nader heeft gemotiveerd en niet is gebleken dat zijn zoon niet bij de moeder zou mogen verblijven. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] aangevoerd dat de ondertoezichtstelling van zijn zoon inmiddels is verlengd en dat het gelet op de verslechterde persoonlijke situatie van de moeder niet mogelijk is dat zijn zoon bij haar verblijft. Nu ter beoordeling staat of het college op grond van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar de weigering van de urgentieverklaring heeft kunnen handhaven, kunnen deze ter zitting aangevoerde omstandigheden in het kader van deze procedure evenwel niet in de beoordeling worden betrokken.

De voorzieningenrechter heeft voorts met juistheid overwogen dat [appellant] gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht vanaf 27 januari 2010 bekend was met de omstandigheid dat hij de woning uiterlijk op 1 september 2010 diende te verlaten. Het college heeft verder terecht de zwakke positie van [appellant] als onderhuurder van een hoofdhuurder die op grond van de Leegstandswet huurde doorslaggevend geacht, zodat hij rekening diende te houden met de tijdelijkheid van zijn woonsituatie en het derhalve voorzienbaar was dat hij op enig moment de woning diende te verlaten. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het college de vrees voor een ongewenste precedentwerking, gelet op de eerlijke verdeling van schaarse sociale huurwoningen, in de beoordeling mogen betrekken.

Voor zover [appellant] onder verwijzing naar een rapport van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat betoogt dat de werkzaamheden aan de woning volgens hem niet voor 2015 zullen beginnen, overweegt de Afdeling dat dit betoog ziet op het ontruimen van de woning en niet op het weigeren van de urgentieverklaring, zodat dit betoog in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011

176-697.