Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201011547/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011547/1/H2.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 in zaak nr. 09/5 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.L. Cortenbach, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals bepaling die ten tijde van belang luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover deze ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van die bepaling dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.2. [appellant] is eigenaar van de panden aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Sint-Oedenrode op het perceel, kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie G, nr. 4732 (hierna: de panden).

Aan het verzoek om vergoeding van planschade heeft hij ten grondslag gelegd dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Centrum' tot een waardevermindering en een beperking van de gebruiksmogelijkheden van de panden heeft geleid, omdat de panden thans niet meer in het zogenoemde winkelconcentratiegebied zijn gelegen.

2.3. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van april 2007 heeft de SAOZ uiteengezet dat uit de bij het bestemmingsplan 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' behorende plankaart blijkt dat de panden ook onder het oude planologische regime buiten het winkelconcentratiegebied waren gelegen en dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Centrum' voor [appellant] niet tot planologisch nadeel heeft geleid. Het college heeft dit advies aan het besluit van 3 juli 2007 ten grondslag gelegd.

Bij brieven van 25 februari 2008 en 17 april 2008 heeft de SAOZ een nadere toelichting op het advies gegeven. Daarin is uiteengezet dat verscheidene dichtbij de panden gelegen percelen onder het bestemmingsplan 'Centrum' weliswaar voor horeca zijn bestemd, maar dat dit voor [appellant] niet tot planologisch nadeel heeft geleid, omdat slechts een beperkt aantal van die percelen een horecafunctie heeft en die horecafunctie bovendien is gelimiteerd. Het college heeft die brieven aan het besluit van 25 november 2008 ten grondslag gelegd.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht een vergelijking tussen de bestemmingsplannen 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' en 'Centrum' heeft gemaakt en de daaraan voorafgaande planologische maatregelen buiten beschouwing heeft gelaten. Omdat [appellant] bij het college heeft gesteld dat de schade door het bestemmingsplan 'Centrum' is veroorzaakt, heeft het college dat plan met het voordien geldende planologische regime van het bestemmingsplan 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' vergeleken. Voor zover [appellant], naar hij voor het eerst ter zitting van de rechtbank heeft gesteld, mede door aan het bestemmingsplan 'Centrum' voorafgaande planologische maatregelen schade heeft geleden, valt dat buiten de in het besluit van 25 november 2008 getrokken grenzen van het geschil.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onder het regime van het bestemmingsplan 'Centrum' een veel breder scala aan gebruiksmogelijkheden in de panden is toegestaan. Daartoe voert hij aan dat de panden ook onder het regime van het bestemmingsplan 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' binnen het winkelconcentratiegebied waren gelegen. Verder voert hij aan dat de panden in de bij het bestemmingsplan 'Centrum' behorende plankaart als beschermd rijksmonument zijn aangeduid en de bij dat bestemmingsplan verruimde gebruiksmogelijkheden van de panden niet te realiseren zijn. In dit verband heeft hij ter zitting van de Afdeling nog verwezen naar het bepaalde in artikel 8, vijfde lid, van de bij dat bestemmingsplan behorende voorschriften.

2.5.1. Niet in geschil is dat de panden volgens de bij het bestemmingsplan 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' behorende plankaart buiten het winkelconcentratiegebied waren gelegen. Dat de plankaart op dat punt in een later stadium van de bestemmingsplanprocedure nog is aangepast, naar [appellant] heeft gesteld, maar het college heeft betwist, is - nog daargelaten wat daarvan de gevolgen zouden zijn - niet aannemelijk gemaakt. Het eerste onderdeel van het betoog faalt derhalve.

2.5.2. Voorts staat vast dat de panden reeds ten tijde van het bestemmingsplan 'Kom Sint-Oedenrode deel 1' krachtens de Monumentenwet 1988 de status van beschermd monument hadden verkregen en dat dit beperkingen voor de gebruiksmogelijkheden met zich bracht. Dat de panden in de bij het bestemmingsplan 'Centrum' behorende plankaart als monument zijn aangeduid, voegt daar geen wezenlijk verdergaande beperkingen aan toe. Dat het ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de bij dat bestemmingsplan behorende voorschriften is verboden bouwwerken te verbouwen, herbouwen of uit te bouwen, voor zover het betreft bouwwerken die op de plankaart zijn aangeduid als rijksmonument of gemeentelijk monument, laat verder onverlet dat het college krachtens het negende lid van dat artikel bevoegd is daarvan vrijstelling te verlenen, indien strikte toepassing van het vijfde lid tot een onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van de bouwwerken zou leiden.

Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het realiseren van de bij het bestemmingsplan 'Centrum' verruimde gebruiksmogelijkheden, vanwege de monumentale status van de panden, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. Het tweede onderdeel van het betoog faalt derhalve evenzeer.

2.6. [appellant] betoogt verder dat het bestemmingsplan 'Centrum' in de vestiging van horeca aan de Markt en verhoging met een etage van de voorgevels van gebouwen aan de zuidzijde van de Markt voorziet en dat de betekenis hiervan voor de planologische vergelijking is onderschat.

2.6.1. De SAOZ heeft bij brieven van 25 februari 2008 en 17 april 2008 de feiten en omstandigheden vermeld en toegelicht die haar tot het advies hebben geleid dat niet valt in te zien dat de bij de bestemmingsplanwijziging gewijzigde gebruiksmogelijkheden van verscheidene dichtbij de panden gelegen percelen tot planologisch nadeel voor [appellant] leiden. Dat [appellant], die in bezwaar en beroep geen deskundigenrapport heeft overgelegd om dat te weerleggen, kritische kanttekeningen bij de brieven van de SAOZ heeft geplaatst, heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat het college niet op deze brieven mocht afgaan.

Verder heeft [appellant] in de bestuurlijke fase niet gesteld dat hij door de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden van de percelen aan de zuidzijde van de Markt planschade heeft geleden. Daarom is, zoals de SAOZ in haar brief van 25 februari 2008 heeft medegedeeld, slechts onderzoek gedaan naar de gevolgen van de wijziging van de gebruiksmogelijkheden van deze percelen. Voor zover in beroep alsnog is betoogd dat [appellant] ook door de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden planschade heeft geleden, mocht de rechtbank dat betoog buiten beschouwing laten, nog daargelaten dat in beroep is nagelaten dat betoog met feiten en omstandigheden te adstrueren.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

452.