Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201011232/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college de aanvraag van [appellante] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011232/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2010 in zaak nr. 09/4476 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college de aanvraag van [appellante] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.R.J. Wildeman, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet stelt de gemeenteraad, indien het naar het zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III, een huisvestingsverordening vast.

Ingevolge het tweede lid gaat de gemeenteraad ten behoeve van de toepassing van het eerste lid in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen. Tevens gaat de gemeenteraad na op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik nemen of geven van een standplaats voorrang wordt verleend aan woningzoekenden, die in een woonwagen wonen of hebben gewoond.

Ingevolge het derde lid treedt, in afwijking van het eerste en tweede lid, het bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de plaats van de gemeenteraad.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is, indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 3 van de Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006 werken de aan de stadsregio Rotterdam deelnemende gemeenten alle mee aan de deelname van de op haar grondgebied actieve woningcorporaties aan het regionale aanbodmodel, zoals dit in de als bijlage 1 bij deze verordening gevoegde Ontwerp-Overeenkomst Woonruimteverdeling stadsregio Rotterdam 2006 is beschreven. Hiertoe sluiten zij een overeenkomst op grond van artikel 4 van de Huisvestingswet met de op hun grondgebied actieve woningcorporatie(s) overeenkomstig het model van de hiervoor genoemde ontwerp-overeenkomst, met inachtneming van de eventueel voor hun gemeente afgesproken wijzigingen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie zeer dringend een (andere) woning behoeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Deze verklaring is in alle bij de stadsregio Rotterdam aangesloten gemeenten geldig en omvat hetgeen hierover in bijlage 1 van de Ontwerp-Overeenkomst Woonruimteverdeling stadsregio Rotterdam 2006 is bepaald. De urgentieverklaring wordt verstrekt door de urgentieverlener die daartoe is aangewezen door de gemeente waarvan de aanvrager ingezetene is, of, indien de aanvrager buiten de stadsregio Rotterdam woonachtig is, de gemeente waarin de aanvrager voornemens is zich te vestigen. De aanvraag kan namens de urgentieverlener in ontvangst worden genomen door een daartoe door de urgentieverlener aangewezen andere instantie.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder d, verstrekt de urgentieverlener de urgentieverklaring, indien de aanvrager onder meer voldoet aan een of meer van de urgentiegronden, zoals deze zijn opgenomen in bijlage 1 van de Ontwerp-Overeenkomst woonruimteverdeling stadsregio Rotterdam 2006.

2.2. Burgemeester en wethouders van achttien gemeenten, waaronder de gemeente Hellevoetsluis, 37 woningcorporaties, Maaskoepel, zijnde een federatie van woningcorporaties in de stadsregio Rotterdam, en het dagelijks bestuur van de stadsregio Rotterdam hebben de Overeenkomst woonruimteverdeling stadsregio Rotterdam 2006 gesloten (hierna: de Overeenkomst).

In hoofdstuk 3 van bijlage I bij de Overeenkomst staat het volgende vermeld:

'Een woningzoekende komt voor een urgentieverklaring in aanmerking, indien hij of zij zelfstandig kan wonen en aan alle voorwaarden voldoet die bij één van onderstaande urgentiegronden worden genoemd.

1. Medische gronden

a) er is sprake van één niet-inwonend huishouden dat (direct voorafgaand aan de aanvraag) tenminste sedert één jaar als ingezetene op het huidige adres in één van de regiogemeenten woont;

b) er is sprake van een medische problematiek, die verband houdt met de woonruimte. Dit wordt in opdracht van de urgentieverlener zo nodig beoordeeld door een door de urgentieverlener aan te wijzen medisch adviseur;

c) de alsdan uitgebrachte beoordeling van deze medisch adviseur leidt tot een bindend advies aan de urgentieverlener.'

In hoofdstuk 5, paragraaf 5.3, staat vermeld dat de urgentieverlener bevoegd is om - in gevallen waarin toepassing van de regelgeving naar zijn oordeel leidt tot een bijzondere hardheid - in het voordeel van de aanvrager af te wijken van bovenstaande urgentiegronden.

2.3. [appellante] heeft verzocht om afgifte van een urgentieverklaring omdat haar hoogbegaafde dochter onderwijs volgt op een speciale school in Hoogvliet. Volgens [appellante] heeft haar dochter last van reisziekte.

2.4. Aan het besluit van 20 november 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat geen relatie bestaat tussen het medisch probleem van de dochter van [appellante] en de woonruimte. De klachten worden niet veroorzaakt door de woning, maar hangen samen met het vervoer van Hellevoetsluis naar Hoogvliet en zijn aldus een gevolg van de ligging van de woning. Reisziekte is geen beperking die men in de woning ondervindt, aldus het college.

2.5. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Zij voert aan dat een andere woning die dichter is gelegen bij de school van haar dochter de medische problematiek wegneemt. Daarmee staat volgens [appellante] de relatie tussen de medische problematiek en de woonruimte vast. De rechtbank is voor het bepalen van die relatie ten onrechte uitgegaan van de staat van de woning. Verder voert [appellante] aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college in haar geval de hardheidsclausule had moeten toepassen. Zij betoogt dat zij zich genoodzaakt zag om haar dochter op een andere school te plaatsen omdat de basisschool waar haar dochter naar toe ging in gebreke is gebleven met het doen uitvoeren van het voor de dochter vastgestelde aangepaste leerprogramma. Voorts is in de regio Hellevoetsluis geen lesmogelijkheid voor hoogbegaafde kinderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het Leonardo onderwijs speciaal is opgezet voor hoogbegaafde kinderen, en in Hoogvliet bevindt zich dan de dichtstbijzijnde school, aldus [appellante].

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van de toepasselijke bepalingen een directe relatie dient te bestaan tussen de medische problematiek en de woonruimte. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de reisziekte van de dochter van [appellante] als medische problematiek die verband houdt met de woonruimte had moeten aanmerken. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de klachten een gevolg zijn van de ligging van de woning en dat de reisziekte geen beperking is die men in de woning ondervindt.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college in de door [appellante] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheden waarin de dochter van [appellante] verkeerde niet dusdanig acuut, ernstig of levensbedreigend zijn dat het college op grond daarvan [appellante], boven alle andere woningzoekenden, voorrang bij de verdeling van woningruimte had moeten verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college in zijn verweerschrift en ter zitting heeft gewezen op het feit dat zich in Hellevoetsluis basisscholen bevinden die vallen onder de stichting Primo. Deze stichting kent het project 'buiten de grenzen', waarbij faciliteiten worden geboden aan kinderen die hoogbegaafd zijn. Dat betekent dat [appellante] ook had kunnen kiezen voor een basisschool in Hellevoetsluis, waar haar dochter passend onderwijs had kunnen volgen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring heeft kunnen afwijzen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

419-671.