Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201011217/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij schrijven van 15 september 2009 heeft het college besloten de aan [appellant] verleende drank- en horecavergunning voor [restaurant] aan de [locatie] te per direct in te trekken en heeft de burgemeester besloten de aan [appellant] verleende exploitatievergunning per direct in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011217/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Utrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2010 in zaak nr. 09/3489 in het geding tussen:

[appellant]

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht;

2. de burgemeester van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij schrijven van 15 september 2009 heeft het college besloten de aan [appellant] verleende drank- en horecavergunning voor [restaurant] aan de [locatie] te per direct in te trekken en heeft de burgemeester besloten de aan [appellant] verleende exploitatievergunning per direct in te trekken.

Bij besluit van 26 oktober 2009 hebben het college en de burgemeester de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2010, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 25 mei 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wok), voor zover thans van belang, is het verboden gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW), moet voor het verkrijgen van een vergunning worden voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden bepaalde.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Ingevolge artikel 24, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden een horecalokaliteit of slijtlokaliteit voor het publiek geopend te houden, met uitzondering van een lokaliteit in beheer bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een vergunning ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 en 10 geldende eisen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan een vergunning voorts worden ingetrokken indien een bij of krachtens artikel 24 gesteld verbod wordt overtreden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: de Verordening) trekt de burgemeester de exploitatievergunning in indien voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de DHW is vereist en deze is ingetrokken.

2.2. Het college en de burgemeester hebben de aan [appellant] verstrekte drank- en horecavergunning en exploitatievergunning ten behoeve van [restaurant] bij besluiten van 15 september 2009 ingetrokken en deze besluiten in bezwaar gehandhaafd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat beiden niet langer van goed levensgedrag zijn. Daartoe heeft het college in aanmerking genomen dat uit onderzoek bij politie en justitie is gebleken dat de politie in de periode van 10 december 2004 tot en met 31 oktober 2006 meermaals heeft geconstateerd dat in [restaurant] geen leidinggevende aanwezig was. Naar aanleiding van deze geconstateerde feiten heeft het college [appellant sub 2] bij brief van 27 mei 2009 gewaarschuwd dat een volgend feit ertoe kan leiden dat hij niet langer van goed levensgedrag is en dat in dat geval de drank- en horecavergunning kan worden ingetrokken. Op 27 juli 2009 heeft de politie geconstateerd dat in [restaurant] door de daar aanwezige bezoekers werd gegokt en op 30 juli 2009 is door inspecteurs van Bijzondere Handhaving geconstateerd dat in [restaurant] geen leidinggevende aanwezig was.

De burgemeester heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat hij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is gehouden om zonder een nadere belangenafweging de exploitatievergunning in te trekken.

2.3. [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat op 27 juli 2009 in [restaurant] niet werd gegokt en dat het onmogelijk is dat er op 30 juli 2009 geen leidinggevende aanwezig was. Voorts betoogt hij dat [appellant sub 1] pas vanaf 1 juli 2005 is toegetreden tot de vennootschap, waardoor de constateringen van de politie dat op 10 december 2004 en 14 mei 2005 geen leidinggevende aanwezig was in [restaurant] en op 23 mei 2005 geen leidinggevende in het horecabedrijf aan [locatie 2]. [appellant] niet kunnen worden tegengeworpen.

2.3.1. Het betoog faalt. Onder terechte verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2003 (in zaak nr. 200206554/1), heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat in een bestuursrechtelijke procedure als deze geen strafrechtelijke bewijsregels gelden. In het kader van een bestuursrechtelijke procedure kan in beginsel worden uitgegaan van het feitencomplex dat naar voren komt uit een proces-verbaal dat naar aanleiding van een controle is opgemaakt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het door het college overgelegde op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2009, dat betrekking heeft op de overtreding van 27 juli 2009. Gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2009, waarin melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van gekleurde fiches, spelkaarten, en/of dobbelstenen en grotere hoeveelheden briefgeld op de tafels, welke bij binnenkomst van de politie in [restaurant] van de tafels werden gehaald met het kennelijke doel ze aan het zicht te onttrekken, heeft de rechtbank terecht voldoende aannemelijk geacht dat op 27 juli 2009 in [restaurant] in strijd met artikel 1, aanhef en onder a, van de Wok werd gegokt. De enkele stelling van [appellant] dat op 27 juli 2009 in [restaurant] niet werd gegokt biedt geen grond voor een ander oordeel.

Evenmin bestaat grond voor twijfel aan de juistheid van het bevindingenrapport van 7 september 2009, dat betrekking heeft op de overtreding van 30 juli 2009, waarin staat vermeld dat [appellant sub 1] tegenover de inspecteurs desgevraagd heeft verklaard dat er in [restaurant] geen leidinggevende aanwezig was en dat er tijdens de controle twintig klanten aanwezig waren. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat werd gehandeld in strijd met het verbod, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de DHW. De enkele stelling van [appellant] dat het onmogelijk was dat op 30 juli 2009 in [restaurant] geen leidinggevende aanwezig was kan niet leiden tot een ander oordeel.

[appellant] heeft voor het eerst in hoger beroep betoogd dat [appellant sub 1] pas vanaf 1 juli 2005 tot de vennootschap is toegetreden. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is om aan te nemen dat deze grond niet bij de rechtbank kon worden aangevoerd, dient deze buiten beschouwing te blijven.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat [appellant] van slecht levensgedrag is als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW en dat het college gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gehouden was de drank- en horecavergunning in te trekken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester, gelet op de imperatieve formulering van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, na de intrekking van de drank- en horecavergunning door het college gehouden was de exploitatievergunning in te trekken.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

419-671.