Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201003984/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aalten bij besluit van 7 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "'t Hietveld 2007".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003984/1/M3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en anderen, wonend te Dinxperlo, gemeente Aalten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aalten bij besluit van 7 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "'t Hietveld 2007".

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2010, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2011, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door G.H. Scheffer, werkzaam bij de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bedrijventerrein de Rietstap B.V., vertegenwoordigd door H.J. Seesink, bijgestaan door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de beoogde realisatie van een bedrijventerrein van 10 hectare aan de westkant van de kern Dinxperlo. Daarnaast zijn enkele bestaande en agrarische percelen in het bestemmingsplan opgenomen.

Het plangebied wordt begrensd door de Hoonhorstweg, de Beggelerdijk, de achterzijde van de percelen aan de Helmkamp en door de Rondweg.

Bij het bestreden besluit heeft het college gedeeltelijk goedkeuring aan het bestemmingsplan onthouden. Het college heeft daaraan onder meer de motivering ten grondslag gelegd dat een behoefte aan bedrijventerrein van ongeveer 9,9 ha netto uitgeefbaar terrein niet aannemelijk is gemaakt. Een behoefte aan ongeveer 6,9 ha achtte het college wel aangetoond.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Ten aanzien van het betoog van [appellante] en anderen dat voorafgaande aan de door de raad gehouden hoorzitting, twee versies van de concept-nota van beantwoording van zienswijzen en plankaart bestonden en zij en anderen de gewijzigde stukken voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan niet hebben ontvangen, heeft de raad ter zitting niet weersproken dat van de bedoelde stukken inderdaad verschillende versies bestonden. De raad komt de bevoegdheid toe om het bestemmingsplan met bijbehorende stukken ten opzichte van het ontwerp dan wel de concepten daarvan gewijzigd vast te stellen. [appellante] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in hun belangen zijn geschaad. Tegen het vastgestelde bestemmingsplan hebben zij bedenkingen ingebracht. Het college heeft in het gestelde dan ook geen aanleiding hoeven zien goedkeuring te onthouden aan het gehele bestemmingsplan.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellante] en anderen betogen dat het college ten onrechte bij de beoordeling van de bij bedrijven bestaande behoefte aan het in het bestemmingsplan opgenomen bedrijventerrein betekenis heeft toegekend aan door de projectontwikkelaar verstrekte gegevens, nu die niet als onafhankelijk kan worden beschouwd. [appellante] en anderen vermoeden dat sommige bedrijven die genoemd worden als geïnteresseerden in gronden op het voorziene bedrijventerrein, zich ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse gelet op de aard van de bedrijvigheid niet zullen mogen vestigen. Het college had gedegen onderzoek moeten laten doen door externe deskundigen, zo stellen zij. Verder heeft, volgens [appellante] en anderen, het college niet bij de beoordeling betrokken dat in de gemeente nog kavels beschikbaar zijn op bestaande bedrijventerreinen en heeft het geen rekening gehouden met de beschikbaarheid van vrijkomende bedrijfsbebouwing.

2.4.1. Het college stelt dat voldoende aannemelijk is dat bij concrete bedrijven de behoefte aan direct uitgeefbaar bedrijventerrein ongeveer 5,4 hectare beslaat. De behoefte bestaat uit ongeveer 6,9 hectare als rekening wordt gehouden met reserveringen voor derden. Hiermee is volgens het college de behoefte aan ongeveer 6,9 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein binnen de bestemmingsplanperiode aangetoond.

2.4.2. Door de ontwikkelaar van het bedrijventerrein is bij brief van 19 januari 2010 aan het college informatie verstrekt over de behoefte aan nieuwe bedrijfsgronden. In die brief staat vermeld dat bij zeven bij naam genoemde bedrijven behoefte bestaat aan ongeveer 5,4 ha en dat een reservering van ongeveer 1,5 ha is gemaakt voor niet bij naam genoemde bedrijven die mogelijk worden verplaatst vanuit het buitengebied naar het bedrijventerrein. De bijlagen bij deze brief bevatten opgaven van bedrijven qua hectares.

Het college heeft ter zitting gesteld dat jaarlijks de behoefte aan bedrijventerreinen in regionaal verband wordt gemonitord, waarbij wordt gekeken naar de beschikbaarheid van de zogenoemde direct beschikbare en toekomstige capaciteit. Het college heeft ter zitting gesteld dat de eigen bevindingen min of meer overeenkomen met de in de brief van 19 januari 2010 geconstateerde behoefte aan bedrijventerrein.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bedrijven die interesse hebben getoond in het bedrijventerrein niet kunnen behoren tot een milieucategorie die ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse is toegestaan. Wat betreft de bestaande bedrijfspanden en beschikbare kavels, is evenmin aannemelijk geworden dat deze een zodanig reële alternatieve mogelijkheid vormen voor de geïnteresseerde bedrijven dat geoordeeld moet worden dat het college daaraan onvoldoende betekenis heeft toegekend.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan ongeveer 6,9 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein is aangetoond. De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellante] en anderen betogen dat de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte markante gebouwen (de twee "Koppen") aanzienlijke ruimtelijke gevolgen met zich brengen. Zij betogen dat het gebruik van de gebouwen met de toegestane bouwhoogte leidt tot een ingrijpende aantasting van de privacy en derhalve het woon- en leefklimaat van omwonenden aan onder meer de [locatie] nadelig beïnvloedt. De raad en het college hebben ten onrechte nagelaten onderzoek te verrichten naar acceptabele alternatieven, aldus [appellante] en anderen.

2.5.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de toegestane bouwhoogte niet uitzonderlijk is voor een bedrijventerrein. Uit het oogpunt van intensief ruimtegebruik is het volgens het college wenselijk om hoog te bouwen.

2.5.2. Het bestemmingsplan voorziet in drie zogenoemde markante gebouwen, waarbij van twee gebouwen de toegestane bouwhoogte minimaal 10 m en maximaal 12 m bedraagt en van het andere gebouw minimaal 10 m en maximaal 15 m. De gebouwen zijn voorzien op ten minste 100 m van de percelen van [appellante] en anderen. Gelet op de bouwhoogte in relatie tot de afstand, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van omwonenden door de gebouwen niet zodanig wordt aangetast dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het desbetreffende plandeel.

Wat betreft onderzoek naar alternatieven overweegt de Afdeling als volgt. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers met zich dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Volgens [appellante] en anderen heeft het college nu goedkeuring is onthouden aan het plandeel met een groenbestemming dat betrekking heeft op gronden aan de oostzijde van het plangebied, niet alsnog een andere strook gronden deze bestemming heeft gegeven.

[appellante] en anderen betogen daarnaast dat de gronden met de bestemming "Agrarisch (A)", waaraan door het college goedkeuring is onthouden, in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" moeten worden opgenomen.

2.6.1. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van het bestemmingsplan. De raad komt daarnaast beleidsvrijheid toe om bestemmingen toe te kennen. Het college kan slechts goedkeuren, gedeeltelijk goedkeuren of goedkeuring onthouden. Hetgeen [appellante] en anderen in zoverre met hun beroep beogen te bewerkstelligen is derhalve niet mogelijk. In het ter zake aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet omtrent goedkeuring heeft mogen beslissen zoals het heeft gedaan.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante] en anderen hebben aangevoerd dat de uitvoering van het bestemmingsplan vanuit de zuidzijde dient te worden ontwikkeld en dat de gronden aan de oostzijde van het plangebied met de bestemming "Groen" met hoogopgaande groenelementen dienen te worden beplant. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het bestemmingsplan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Voor zover [appellante] en anderen hebben beoogd te stellen dat geen goedkeuring kon worden verleend aan het bestemmingsplan nu daarin wat betreft bedoelde gronden met een groenbestemming geen voorschrift omtrent de aard van de beplanting is opgenomen, mocht het college met de raad menen dat daartoe uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding bestond.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Met betrekking tot de beroepsgronden die [appellante] en anderen niet expliciet in het beroepschrift hebben vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar de zienswijzen en bedenkingen in het beroepschrift heeft ingelast, overweegt de Afdeling dat in de nota van beantwoording van de zienswijzen en in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen en bedenkingen. [appellante] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen en bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.N. Roes, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Roes w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

163-690.