Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ9623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
201006686/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Scholtenhagen-Watermolen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006686/1/R3.

Datum uitspraak: 29 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Haaksbergen,

2. [appellant sub 2], wonend te Haaksbergen,

en

de raad van de gemeente Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Scholtenhagen-Watermolen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 augustus 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G. Visser, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.D. Ubbink, advocaat te Enschede, en de raad, vertegenwoordigd door R.C. Oude Molenman en I.A.H. Horck-van Mast, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich in beroep tegen de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 6" die bij de vaststelling van het plan is toegekend aan een tweetal percelen aan de Scholtenhageweg (hierna: perceel 427 en perceel 428) gelegen tussen de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], en artikel 23.1, aanhef en onder f, van de planregels, dat het mogelijk maakt dat het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van die aanduiding de bestemming "Tuin" wijzigt ten behoeve van de realisatie van twee woningen.

2.2. [appellant sub 1] voert in de eerste plaats aan dat het plan ten aanzien van perceel 427 afwijkt van het vaststellingsbesluit van de raad. In dat verband wijst hij erop dat in de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de wijzigingsbevoegdheid van perceel 427 wordt verwijderd.

[appellant sub 2] voert aan dat ten onrechte niet duidelijk is of de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van perceel 428 is gekoppeld aan de zogenoemde Rood voor rood-regeling.

2.2.1. De Afdeling stelt vast dat de raad in zijn vergadering van 28 april 2010 weliswaar de Nota van Zienswijzen en het plan heeft vastgesteld, maar daarbij tevens een amendement heeft aangenomen om de in het ontwerpplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid zowel te laten gelden voor perceel 428 als perceel 427 en voorts de koppeling aan de Rood voor rood-regeling los te laten. Aldus valt geen discrepantie tussen het raadsbesluit en de nadien bekend gemaakte planregels en de verbeelding aan te wijzen. Het betoog van [appellant sub 1] mist derhalve feitelijke grondslag, evenals het betoog van [appellant sub 2].

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid. Nog in 2006 heeft het gemeentebestuur medewerking geweigerd omdat woningbouw ter plaatse niet paste binnen de regionale recreatieve functie van het gebied, een geleidelijke overgang van de dorpskern naar het buitengebied werd nagestreefd en het doorkijkje naar de kinderboerderij achter perceel 428 moest worden behouden. Daarnaast werd de toen ingevolge het Streekplan vereiste dringende noodzaak niet aanwezig geacht. Ook in de thans geldende Omgevingsvisie van de provincie Overijssel wordt slechts verspreide bebouwing toegestaan binnen het, naar stellen van de raad, voor het plangebied geldende ontwikkelingsperspectief "buitengebied, accent productie", aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. In de Nota van Zienswijzen heeft het college volgens hun bevestigd dat het realiseren van woningen ter plaatse in strijd is met de Omgevingsvisie.

[appellant sub 2] voert in dit verband tevens aan dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het gemeentelijke Rood voor rood beleid, nu de wijzigingsbevoegdheid niet aan die regeling is gekoppeld terwijl dit beleid wel op het plangebied van toepassing is.

2.3.1. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is het provinciaal beleid, behoudens indien sprake is van algemene regels in de zin van artikel 4.1 van de Wro, niet bindend meer voor de raad bij de vaststelling van een plan. De raad is niet gehouden het beleid van de provincie te volgen, maar moet daarmee wel rekening houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft aangegeven zich op het standpunt te stellen dat het plan past binnen het provinciaal beleid.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat nu ter zitting is gebleken dat blijkens de kaart met ontwikkelingsperspectieven van de Omgevingsvisie het ontwikkelingsperspectief "buitengebied, accent veelzijdige gebruiksruimte" van toepassing is op de percelen 427 en 428 en niet het door de raad in de toelichting bij het plan en in de door hem vastgestelde Nota van Zienswijzen genoemde ontwikkelingsperspectief "buitengebied, accent productie", onduidelijk is op welke manier de raad de Omgevingsvisie bij de vaststelling van het plan heeft betrokken.

Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat voor het plangebied geen relevant gemeentelijk beleid van toepassing is. De zogenoemde Rood voor rood-regeling ziet alleen op het buitengebied, waartoe het plangebied volgens de raad niet behoort, en is bovendien niet door de raad, maar door het college vastgesteld. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad echter besloten de onderhavige wijzigingsbevoegdheid te ontkoppelen van de Rood voor rood-regeling. Zonder nadere onderbouwing is niet duidelijk welk beleid de raad ten aanzien van het plangebied van toepassing acht en op welke wijze de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening heeft gehouden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat, nu niet duidelijk is hoe het besluit zich verhoudt tot provinciaal en gemeentelijk beleid, het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 6" en artikel 23.1, onder f van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.4. Gelet hierop behoeven de overige door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerde beroepsgronden geen bespreking.

2.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haaksbergen van 28 april 2010, voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 6" en artikel 23.1, onder f, van de planregels;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Haaksbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1004,24 (zegge: duizendvier euro en vierentwintig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Haaksbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Haaksbergen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

45-715.