Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201105620/2/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

penbare zitting gehouden op 16 juni 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105620/2/H2.

Datum uitspraak: 16 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister),

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 8 april 2011 in zaak nr. 10/82 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister.

Procesverloop

Openbare zitting gehouden op 16 juni 2011.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. R.W.L. Loeb voorzitter (vz.)

ambtenaar van staat: mr. M.R. Poot

Verschenen:

De minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij en mr. M. Lely, beiden werkzaam in dienst van de Raad voor Rechtsbijstand;

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 april 2011, verzonden op dezelfde dag, van de rechtbank. De minister heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Veiligheid en Justitie geen nieuw besluit hoeft te nemen op het door [wederpartij] tegen zijn besluit van 31 juli 2009, Wbtv-nr.: 3357, gemaakte bezwaar, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Daartoe overweegt hij het volgende.

Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak.

Volgens de aangevallen uitspraak dient de minister een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar te nemen. De minister moet daarbij de overwegingen van de voorzieningenrechter in acht nemen. Gelet op hetgeen de minister ter motivering van het hoger beroep heeft aangevoerd en op het verhandelde ter zitting, is voorshands echter geenszins buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep onverkort in stand zal blijven. Nu een nieuw besluit op bezwaar onder die omstandigheden een onwenselijke precedentwerking kan hebben, weegt het belang van de minister bij de gevraagde voorziening zwaarder dat van [wederpartij] bij een nieuw besluit op bezwaar, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

w.g. Loeb w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

362.