Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200908831/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen ten behoeve van een reconstructie van de Onze Lieve Vrouwedijk te Waalre.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908831/1/M3.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Waalre,

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalre,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen ten behoeve van een reconstructie van de Onze Lieve Vrouwedijk te Waalre.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.R. Liebregts en F.C. van Noort, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor de woningen gelegen aan de Paradijslaan 3, 5, 7, 9 en 11, De Neerheide 26 en De Kranssen 95 te Waalre, ten behoeve van de aanleg van twee rotondes in de Onze Lieve Vrouwedijk.

Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport van Grontmij van 20 mei 2009, nr. 256797.rsd.431.R001, revisie 1, (hierna: het akoestisch rapport) is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Wet geluidhinder dan wel de heersende waarde als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Wet geluidhinder bij de betrokken woningen door de aanleg van de twee rotondes in de Onze Lieve Vrouwedijk met 2 dB of meer wordt overschreden. Derhalve is er een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

2.2. De woning van [appellant] is gelegen aan [locatie]. Voor zijn woning, waarbij de heersende waarde 50 dB bedraagt, is een hogere waarde vastgesteld van 52 dB op een waarneemhoogte van 1,5 meter, 53 dB op een waarneemhoogte van 4,5 meter en 52 dB op een waarneemhoogte van 7,5 meter.

2.3. Ingevolge artikel 99, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen aanwezig zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een bestemmingsplan dat in de reconstructie voorziet.

Ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, geldt, ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig waren de heersende waarde.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, voor zover hier van belang, kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.4. [appellant] betoogt dat het college de ligging van de rotonde nabij zijn woning onvoldoende heeft onderzocht. Volgens [appellant] hadden de weg en de rotonde in oostelijke richting moeten worden verplaatst, teneinde de geluidoverlast ter plaatse van zijn woning te verminderen.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat uit de systematiek van de betrokken bepalingen van de Wet geluidhinder volgt dat bij een besluit tot vaststelling van hogere waarden vanwege de reconstructie van een weg niet kan worden uitgegaan van een andere reconstructie dan waartoe overeenkomstig artikel 99, eerste lid, van de Wet geluidhinder in overeenstemming met, voor zover hier van belang, het bestemmingplan dat in de reconstructie voorziet kan worden overgegaan. Ten behoeve van laatstgenoemde reconstructie wordt de geluidbelasting ter plaatse van de betrokken woningen berekend en wordt, zo nodig, een besluit genomen tot het vaststellen van hogere waarden voor de betrokken woningen. In dit geval is het bestreden besluit gebaseerd op de locatie van de rotonde zoals die is vastgesteld in het bouwplan Waalre-Noord.

Gelet op het vorenstaande is het college bij het nemen van het bestreden besluit terecht uitgegaan van de gegeven locatie van de rotonde en was er geen aanleiding voor het college om hierbij onderzoek te doen naar alternatieve locaties.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Voor zover [appellant] gronden aanvoert over vermindering van het wooncomfort in zijn tuin als gevolg van impulsgeluid door afremmend en optrekkend verkeer en over de waardedaling van zijn woning, overweegt de Afdeling als volgt.

Een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals in deze procedure ter beoordeling staat, heeft betrekking op de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen. De bezwaren van [appellant] met betrekking tot het wooncomfort in zijn tuin kunnen hierbij dan ook geen rol spelen.

Voorts volgt uit artikel 110a van de Wet geluidhinder dat een eventuele waardevermindering van de woning niet in de weg staat aan het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde.

De beroepsgronden falen.

2.6. [appellant] betoogt dat in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met de te verwachten toename van de geluidbelasting als gevolg van het bouwverkeer ten behoeve van realisatie van het bouwplan Waalre-Noord. Hierdoor zal de geluidbelasting volgens [appellant] zeker tot en met 2020 en waarschijnlijk tot 2030 hoger uitvallen dan de berekende. Voorts heeft [appellant] bij nadere memorie aangevoerd dat er nog een te verwachten ontwikkeling is, namelijk de versnelde aanleg van een ontsluitingsweg tussen Waalre en Eindhoven. Deze zal volgens [appellant] leiden tot een verhoogde verkeersintensiteit en een verhoogde geluidbelasting op de Onze Lieve Vrouwedijk.

2.6.1. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op het akoestisch rapport, dat is opgesteld volgens het Reken- en meetvoorschrift 2006 (hierna: het RMV).

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het RMV wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg rekening gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën motorvoertuigen.

Onder maatgevende verkeersintensiteit wordt daarbij ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het RMV verstaan: verkeersintensiteit, zoals die in het voor de geluidbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak optreedt. Volgens de toelichting bij artikel 3.1, eerste lid, kan bij een reconstructie het tiende jaar na de reconstructie in beginsel als het voor de geluidbelasting bepalende jaar worden aangehouden.

2.6.2. In het akoestisch rapport, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is uitgegaan van het jaar 2020 als het voor de geluidbelasting bepalende jaar. In het akoestisch rapport zijn voor verschillende wegvakken prognosecijfers voor de verkeersintensiteit in het jaar 2020 opgenomen. Deze variëren van 8.615 tot 10.177 verkeersbewegingen per etmaal.

2.6.3. Ter zitting heeft het college gesteld dat het bouwverkeer ter realisering van het bouwplan Waalre-Noord mogelijk tot 2020 zal duren, maar dat dit verkeer niet continu zal plaatsvinden. Daarnaast zal slechts een gedeelte van het bouwverkeer via de rotonde naar de bouwlocatie rijden, zodat de verkeerstoename volgens het college gering zal zijn.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bouwverkeer zo veel extra verkeersbewegingen veroorzaakt dat het college bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege de weg niet met de gehanteerde verkeersintensiteiten rekening mocht houden.

Ter zitting heeft het college voorts verklaard dat er geen ruimtelijke plannen zijn voor de aanleg van een ontsluitingsweg tussen Waalre en Eindhoven en dat hierover ook geen besluiten zijn genomen. Gelet hierop bestaat in zoverre evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege de weg niet met de gehanteerde verkeersintensiteiten rekening mocht houden.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] is onderschat.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] betoogt dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid van de overdrachtsbeperkende maatregelen. Dit onderzoek had volgens hem mede voor zijn woning, per perceel afzonderlijk, moeten plaatsvinden. Bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige of verkeerskundige aard zijn volgens [appellant] niet aan de orde.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het treffen van overdrachtsbeperkende maatregelen stuit op overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Uitsluitend door het aanbrengen van geluidschermen met een hoogte van twee meter, direct aan weerszijden van de weg in beide richtingen, kan volgens het college een beperkte geluidreductie voor alle omliggende woningen worden bereikt. Hierdoor zal volgens het college echter een kokereffect optreden voor weggebruikers en wordt het zicht op de directe omgeving beperkt.

Ten aanzien van het plaatsen van een geluidscherm op het perceel van [appellant] voert het college aan dat overdrachtsmaatregelen per cluster woningen die een stedenbouwkundige eenheid vormen, dienen te worden bekeken. Voorts wijst het college er op dat een twee meter hoog scherm op de perceelgrens te nadrukkelijk aanwezig is in de ruim opgezette en groene omgeving.

2.7.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de reconstructie van de Onze Lieve Vrouwedijk van de gevel van de woning van [appellant] tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, of landschappelijke aard.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

271-651.