Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201007983/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Loenersloot-Binnenweg-Kerklaan" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/173
JOM 2011/550
JOM 2011/576
Module Ruimtelijke ordening 2011/5592 met annotatie van R. Frusch
AB 2011/261 met annotatie van A.R. Neerhof
Gst. 2012/14 met annotatie van Redactie
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1785
TBR 2012/29 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007983/1/R2.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Loenersloot, gemeente Loenen,

2. [appellante sub 2] en anderen, gevestigd te Nieuwersluis, gemeente Loenen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

en

de raad van de gemeente Loenen, thans gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Loenersloot-Binnenweg-Kerklaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2010, en [appellante sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 28 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2011, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht, en [appellante sub 2 A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht, en T.V. van Es MSc en mr. J. Hasper, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als partij gehoord de ondernemersvereniging De Werf en anderen, vertegenwoordigd door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actualisatie en uniformering van een aantal bestemmingsplannen in het gebied Loenersloot-Binnenlaan-Kerklaan te Loenen.

2.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellante sub 2 A] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellante sub 2], voor zover ingediend door [appellante sub 2 A], is niet-ontvankelijk.

2.3. [appellante sub 2] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de plandelen op en rond het bedrijventerrein De Werf. [appellante sub 1] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel op dit bedrijventerrein dat ziet op zijn gronden aan De Werf 2/3.

[appellante sub 2] en [appellante sub 1] voeren aan dat bij de vaststelling van het plan de schijn van belangenverstrengeling is gewekt nu voor hen ongunstige wijzigingen zijn vastgesteld onder invloed van een op het bedrijventerrein wonend raadslid. Bij deze wijzigingen is de toegelaten milieucategorie beperkt tot categorie 3.1 en is de bestemming "Groen" toegekend aan een deel van de gronden waardoor hier geen bedrijvigheid mogelijk is en de ontsluitingsmogelijkheden worden beperkt. Voorts zijn de bebouwingsmogelijkheden van bouwwerken geen gebouwen zijnde beperkt.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van enig persoonlijk belang van het raadslid niet is gebleken zodat geen sprake is van belangenverstrengeling. Voorts stelt de raad dat niet gebleken is dat het raadslid in de beraadslaging ten aanzien van het plan persoonlijke belangen naar voren heeft gebracht en bovendien heeft hij niet bij alle amendementen een beslissende stem gehad. Verder stelt de raad dat artikel 2:4 van de Awb vooral geschreven is om vooringenomenheid van ambtenaren te voorkomen.

2.3.2. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

2.3.3. Het tweede lid van artikel 2:4 van de Awb strekt er toe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel doch aan het tot besluiten bevoegde bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat, ten gevolge van vermenging van persoonlijke en bestuurlijke belangen bij de betrokken personen, de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe kunnen het orgaan verschillende middelen ter beschikking staan: uitsluiting van personen van de besluitvorming is daar een van, doch dit is niet het enige middel.

2.3.4. Met de uitdrukking "persoonlijk" is blijkens de Memorie van Toelichting gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. Gelet op de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet een beperkte uitleg van het begrip persoonlijk belang voor ogen gehad.

2.3.5. Voorts is de Afdeling van oordeel dat nu in artikel 2:4 van de Awb een waarborg is neergelegd voor de burger, ingevolge het tweede lid ook de schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden. Anders dan de raad ziet de Afdeling gelet op de tekst van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb geen grond voor het oordeel dat dit artikel slechts is gericht op bij het bestuursorgaan werkzame personen en niet gericht zou zijn op tot het bestuursorgaan behorende personen.

2.3.6. Met het bestemmingsplan wordt onder meer het planologische regime voor het bedrijventerrein De Werf vastgelegd. Het betreft een kleinschalig bedrijventerrein met tevens enkele bedrijfswoningen. Het plan is door de raad behandeld in zijn vergadering van 20 april 2010. Ter zitting heeft de raad tevens gesteld dat voorafgaand aan deze vergadering een werkvergadering is gehouden waarbij het betreffende raadslid aanwezig was namens zijn fractie.

2.3.7. Vaststaat dat het raadslid woont en werkt op het bedrijventerrein De Werf. Hiermee had hij in dit geval een persoonlijk belang bij de wijze waarop het plan zou worden vastgesteld, nu dit direct van invloed zou kunnen zijn op zijn woon- en leefklimaat.

Voorts stelt de Afdeling vast, op grond van de notulen van de raadsvergadering, dat het raadslid tijdens de vergadering veelvuldig het woord heeft gevoerd. Tevens is door het raadslid namens zijn fractie een aantal amendementen ingediend en voorgelezen. Deze amendementen zien op het verlagen van de maximale milieucategorie, het wijzigen van de bestemming van een deel van de gronden in "Groen" en het verlagen van de maximale bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Al deze amendementen hebben in feite tot gevolg dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van de gronden van het raadslid en een nadeliger positie voor [appellante sub 2] en [appellante sub 1]. Uit de notulen van de raadsvergadering kan derhalve worden afgeleid dat het raadslid actief betrokken is geweest bij het bewerkstelligen van wijzigingen in het door het college van burgemeester en wethouders opgestelde ontwerp dan wel het aan de raad voorgestelde plan, die in feite hebben geleid tot een gunstiger woon- en leefklimaat ter hoogte van zijn gronden.

De Afdeling is van oordeel dat hiermee naar derden toe de schijn is gewekt dat dit persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming, hetgeen de raad ingevolge artikel 2:4. van de Awb dient te voorkomen. Hierbij is niet van belang of het betrokken raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn woon- en leefklimaat vast te stellen. Ook indien in dit opzicht van de goede trouw van het betrokken raadslid wordt uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt.

Het betoog van de raad dat het raadslid het woord in de raadsvergadering moest voeren aangezien hij woordvoerder van zijn fractie was voor onderwerpen met betrekking tot de ruimtelijke ordening, kan hiervoor geen rechtvaardiging vormen, aangezien niet valt in te zien waarom hij zich in dit specifieke geval niet had kunnen laten vervangen tijdens de voorbereiding van en beraadslaging over het voorstel.

Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad, leidt niet tot een ander oordeel nu op grond van het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn gewekt is dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming. Bovendien heeft hij bij een aantal amendementen wel een beslissende stem gehad.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de plandelen ten zuiden van de Slootdijk en ten oosten van het Amsterdamrijnkanaal met de bestemmingen "Bedrijf", "Groen", "Verkeer" en "Water" dient te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] overigens hebben aangevoerd geen bespreking.

2.5. Ten aanzien van [appellante sub 2] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellante sub 2 A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 20 april 2010, voor zover het betreft de plandelen ten zuiden van de Slootdijk en ten oosten van het Amsterdamrijnkanaal met de bestemmingen "Bedrijf", "Groen", "Verkeer" en "Water";

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

VI. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan [appellante sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

317-674.