Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201005396/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2010 heeft het college voor onder meer de woning Zijdelweg 11 een hogere waarde als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten behoeve van de aanleg van een ongelijkvloerse kruising van de N201 over de Zijdelweg te Amstelveen. Dit besluit is op 7 mei 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005396/1/M2.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amstelveen,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2010 heeft het college voor onder meer de woning Zijdelweg 11 een hogere waarde als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten behoeve van de aanleg van een ongelijkvloerse kruising van de N201 over de Zijdelweg te Amstelveen. Dit besluit is op 7 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht en ing. R.P.M. Jansen, deskundige van Adviesbureau Peutz, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en mr. P. Schravendijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vanwege de aanleg van de ongelijkvloerse kruising van de N201 over de Zijdelweg neemt de geluidbelasting op de woning van [appellant] toe. De geluidbelasting op de woning van [appellant] bedraagt vanwege de N201 49 dB(A). In verband hiermee is voor zijn woning een hogere waarde vastgesteld.

2.2. Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg van de gevel van woningen binnen de zone een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, voor zover hier van belang, vindt de bevoegdheid tot vaststelling van hogere waarden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen, tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 110a, zesde lid, geven gedeputeerde staten, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan de bevoegdheid tot vaststelling van hogere waarden voor zover de gecumuleerde geluidbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidbelasting.

2.3. [appellant] voert aan dat het college voor de aanleg van de ongelijkvloerse kruising van de N201 over de Zijdelweg ten onrechte heeft gekozen voor de 'Halfklaverbladvariant' in plaats van de 'Haarlemmermeervariant'. Volgens [appellant] ondervindt hij meer geluidhinder vanwege de 'Halfklaverbladvariant' dan vanwege de 'Haarlemmermeervariant', omdat de eerst genoemde variant ziet op dicht bij zijn woning gelegen aan- en afvoerwegen. De keuze voor de 'Haarlemmermeervariant' moet volgens [appellant] als een maatregel gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting in de zin van artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder worden aangemerkt, zodat deze variant bij het nemen van het bestreden besluit betrokken had dienen te worden.

2.3.1. De keuze voor de 'Halfklaverbladvariant' betreft een planologische keuze. Bij het maken van deze keuze spelen naast geluidhinder allerlei aspecten van andere aard een rol. Uit artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder en de strekking van de Wet geluidhinder volgt dat een procedure tot vaststelling van hogere grenswaarden als de onderhavige tot doel heeft dat de geluidbelasting die voortvloeit uit de realisering van een bepaalde planologische keuze, wordt vastgelegd. Uitgaande van de keuze voor de 'Halfklaverbladvariant' kan de keuze voor de 'Haarlemmermeervariant' daarom niet als een bronmaatregel worden aangemerkt. Bezwaren met betrekking tot de inhoud van de planologische besluitvorming dienen aan de orde te komen in het kader van de planologische procedure waarin de rechtmatigheid van de besluitvorming voor de 'Halfklaverbladvariant' kan worden getoetst.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] voert aan dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestische onderzoek niet van de juiste verkeersintensiteiten is uitgegaan. [appellant] voert hiertoe primair aan dat in het akoestische onderzoek ten onrechte rekening is gehouden met de komst van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid. Volgens [appellant] blijkt uit een door hem overgelegde concept-beleidsnotitie van de gemeente Amstelveen dat het desbetreffende bedrijventerrein de komende jaren niet zal worden ontwikkeld. [appellant] voert hiertoe subsidiair aan dat wanneer wel rekening dient te worden gehouden met de komst van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid uit een door Adviesbureau Peutz opgestelde notitie van 25 oktober 2010 blijkt dat in het akoestische onderzoek is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten wat betreft dit bedrijventerrein.

2.4.1. Aan het bestreden besluit liggen het akoestische rapport van 9 november 2007 met nr. V.2007.5366.00.R001, de notitie van 30 juni 2009 met nr. L.2001.1230.00.N016 en de notitie van 11 december 2009 met nr. 2001.1230.00.N017 ten grondslag. In dit akoestische rapport en deze notities is gebruik gemaakt van het verkeersmodel N201+. Vaststaat dat in dit verkeersmodel rekening is gehouden met de aanleg van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid.

2.4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat wat betreft de gehanteerde verkeersintensiteiten rekening dient te worden gehouden met het desbetreffende bedrijventerrein, omdat de gemeente Amstelveen voornemens is het bedrijventerrein conform het geldende provinciale en gemeentelijke beleid te realiseren.

2.4.3. Niet gebleken is dat, zoals [appellant] betoogt, de gemeente Amstelveen niet voornemens is om het bedrijventerrein te realiseren. De enkele omstandigheid dat uit de overgelegde concept-beleidsnotitie van de gemeente Amstelveen blijkt dat het bedrijventerrein voorlopig nog niet wordt gerealiseerd betekent niet dat hiervan als zodanig wordt afgezien. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat wat betreft de gehanteerde verkeersintensiteiten rekening diende te worden gehouden met dit bedrijventerrein.

2.4.4. In de door Adviesbureau Peutz opgestelde notitie waarnaar [appellant] verwijst worden in hoofdstuk 7 het verkeersmodel N201+ dat ten grondslag ligt aan het ten behoeve van het bestreden besluit uitgevoerde akoestische onderzoek en het verkeersmodel dat ten grondslag ligt aan de Structuurvisie Amstelveen Zuid met elkaar vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat met name ter plaatse van het wegvak Zijdelweg-Bovenkerkerweg in het verkeersmodel N201+ van een lagere verkeersintensiteit wordt uitgegaan dan waarvan wordt uitgegaan in het verkeersmodel dat ten grondslag ligt aan de Structuurvisie Amstelveen Zuid.

2.4.5. Het college heeft in het overgelegde nadere stuk uiteengezet dat het verkeersmodel N201+ is gehanteerd, omdat dat model het meest is toegesneden op het project Masterplan N201 waar de aanleg van de ongelijkvloerse kruising deel van uitmaakt. Volgens het college is het enkele feit dat het voor de Structuurvisie Amstelveen Zuid gebruikte verkeersmodel andere resultaten geeft dan het verkeersmodel dat voor het onderhavige besluit is gehanteerd onvoldoende voor de conclusie dat de in het bestreden besluit gehanteerde gegevens onjuist zijn. Het is volgens het college onmogelijk om de verkeersintensiteiten exact te voorspellen en daarom onvermijdelijk dat de voorspellingen aan de hand van verschillende verkeersmodellen van elkaar afwijken. Meer in het bijzonder merkt het college ten aanzien hiervan op dat het verschil op het wegvak Zijdelweg-Bovenkerkerweg voor een groot deel wordt verklaard doordat de verkeersmodellen van andere verplaatsingskarakteristieken uitgaan. In het verkeersmodel N201+ is uitgegaan van meer bestemmingsverkeer.

2.4.6. Weliswaar verschillen de verkeersintensiteiten waarvan is uitgegaan in het verkeersmodel N201+ en het verkeersmodel dat ten grondslag is gelegd aan de Structuurvisie Amstelveen Zuid van elkaar, maar dit betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat in het verkeersmodel N201+ van verkeersintensiteiten is uitgegaan die geen voldoende representatief beeld geven van de te verwachten verkeersaantallen. In de door Adviesbureau Peutz opgestelde notitie wordt deze conclusie ook niet getrokken. In deze notitie wordt slechts geconstateerd dat er verschillen zijn. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersmodel N201+ en in zoverre in het akoestische onderzoek van te lage verkeersintensiteiten is uitgegaan.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] voert aan dat het college de cumulatieve geluidbelasting op zijn woning heeft onderschat. Volgens hem heeft het college bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting ten onrechte geen rekening gehouden met het verkeer over de ontsluitingsweg richting het toekomstige bedrijventerrein Amstelveen-Zuid. Daarnaast voert [appellant] aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de cumulatieve geluidbelasting van 66 dB(A) op zijn woning aanvaardbaar is. Dat de bijdrage van het verkeer over de N201 aan de cumulatieve geluidbelasting beperkt is, is volgens [appellant] onvoldoende ter motivering dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is.

2.5.1. Met betrekking tot de gecumuleerde geluidbelasting geldt het bepaalde in artikel 110a, zesde lid, van de Wet geluidhinder.

2.5.2. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting geen rekening kon worden gehouden met de ontsluitingsweg naar het bedrijventerrein, omdat nog niet vaststaat waar deze weg komt te liggen.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Reeds hierom is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geluidbelasting vanwege de desbetreffende ontsluitingsweg.

2.5.3. Ten behoeve van de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting is de notitie van 20 april 2010 met nr. L.2001.1230.00.N019 opgesteld. Uit deze notitie blijkt volgens het college dat de hoogte van de cumulatieve geluidbelasting voornamelijk wordt bepaald door het luchtvaartlawaai en dat de bijdrage van het verkeer over de N201 aan de cumulatieve geluidbelasting zeer gering is.

Het college stelt zich op het standpunt dat de cumulatieve geluidbelasting niet onaanvaardbaar is gezien de beperkte bijdrage van het verkeer over de N201 aan de cumulatieve geluidbelasting als ook het grote maatschappelijke belang dat met het bestreden besluit is gemoeid.

2.5.4. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college onder de hiervoor geschetste omstandigheden, die door [appellant] niet dan wel onvoldoende worden bestreden, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de cumulatieve geluidbelasting niet onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 110a, zesde lid, van de Wet geluidhinder.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. T.G. Drupsteen en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Schoppers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

578.