Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201009803/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009, gewijzigd bij besluit van 23 november 2009, heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009803/1/H2.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 augustus 2010 in zaak nr. 09/2703 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009, gewijzigd bij besluit van 23 november 2009, heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2010, verzonden op 31 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen de beslissing van 27 januari 2010 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 november 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 24 mei 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt), wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: de Wet dwangsom), blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kan een beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is.

2.2. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft de raad de aanvraag om een toevoeging om rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen, omdat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke aard.

Op 26 februari 2009 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft [appellant] op 9 november 2009 beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 23 november 2009 heeft de raad de aanvraag opnieuw afgewezen onder wijziging van de gronden. De raad stelt zich in dit besluit op het standpunt dat de rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet wordt verleend, omdat de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond heeft verschaft.

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft de raad het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en het besluit van 23 november 2009 gehandhaafd.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, nu de raad inmiddels een besluit op bezwaar heeft genomen. De vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken vormt op zichzelf onvoldoende belang om tot inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat de raad te veroordelen in de kosten die [appellant] voor de behandeling van dit beroep heeft moeten maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat nu het beroepschrift is ingekomen op 10 november 2009, het recht ter zake van niet-tijdig beslissen zoals dat geldt na 1 oktober 2009 van toepassing is op het bij haar ingestelde beroep. [appellant] had derhalve de raad in gebreke moeten stellen. Nu hij dat heeft nagelaten, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien de raad te veroordelen in de proceskosten ter zake van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar waarvoor rechtsbijstand was aangevraagd, niet slechts was gericht tegen een kennisgeving zonder rechtsgevolgen, maar tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. [appellant] voert hiertoe aan dat uit de gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen die brief bij besluit van 5 november 2009 blijkt, dat de Belastingdienst de brief waartegen het bezwaar is gericht, aanmerkt als een besluit.

2.5.1. Uit het aanvraagformulier en de stukken gevoegd bij de aanvraag om rechtsbijstand blijkt, dat [appellant] rechtsbijstand heeft gevraagd voor een bezwaarprocedure tegen een kennisgeving van de Belastingdienst van 21 oktober 2008 over de aan [appellant] over de jaren 2006, 2007 en 2008 toegekende huurtoeslag. In deze brief heeft de Belastingdienst [appellant] medegedeeld dat uit onderzoek van de sociale recherche te Groningen is gebleken dat [appellant] in de periode van 5 april 1994 tot met 1 september 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat hij bij zijn aanvraag niet heeft gemeld dat hij op 1 januari 2006 een toeslagpartner of medebewoner had zodat hij de Belastingdienst onjuiste informatie heeft verstrekt. Voorts is in deze brief vermeld dat de aanspraak op huurtoeslag over de jaren 2006, 2007 en 2008 opnieuw bij beschikkingen zal worden vastgesteld. De brief van 21 oktober 2008 behelst niet zelf een wijziging van de toegekende huurtoeslag, maar slechts de mededeling dat de huurtoeslag opnieuw zal worden vastgesteld. Derhalve is die brief niet gericht op rechtsgevolg en is deze geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Nu het bezwaar niet is gericht tegen een besluit, maar slechts tegen een kennisgeving, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag van elke grond is ontbloot. Dat de Belastingdienst het bezwaar tegen de brief niet niet-ontvankelijk zou hebben verklaard, wat hier verder ook van zij, maakt niet dat het standpunt van de raad onjuist is.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

362-630.