Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200907907/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2009, met nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, Winschoten" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/189
JBO 2011/48 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
BR 2011/152 met annotatie van P.M.J. de Haan
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2903
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907907/1/R1.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Winschoten, gemeente Oldambt,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aldi Drachten B.V., gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,

3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Winschoten, gemeente Oldambt,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Germie Beleggingen B.V., gevestigd te Emmen,

5. de vennootschap onder firma Galaplan, gevestigd te Emmen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Winschoten, thans: Oldambt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2009, met nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, Winschoten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, Aldi bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2009, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2009, Germie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2009, en Galaplan bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 15 oktober 2009. Aldi heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 november 2009. [appellant sub 3] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 november 2009. Germie heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 november 2009. Galaplan heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 november 2009.

[appellant sub 1] heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, Aldi, vertegenwoordigd door mr. C. Visser, advocaat te Utrecht, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. S. Essakkili, werkzaam bij

DAS Rechtsbijstand, Germie en Galaplan, beide vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg, advocaat te Groningen, en de raad, vertegenwoordigd door J.H. Samberg en H. van der Poel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het centrum van Winschoten. In het plan worden bestaande functies vastgelegd en worden op sommige plaatsen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] behoudens voor zover het is gericht tegen het plandeel voor de percelen [locatie 1 en 2] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de aan zijn percelen [locatie 1 en 2] gegeven bestemming "Wonen - woongebouw (W)" met de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie I (WR-A I)". De gronden worden gebruikt voor opslag van materialen. Van gemeentewege is niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende woonbestemming binnen de planperiode verwezenlijkt kan worden, aldus [appellant sub 1]. Hij wenst handhaving van de bestemming "Centrumbebouwing I", zoals deze was opgenomen in het voorgaande plan.

2.3.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de gegeven woonbestemming nader dient te worden geconcretiseerd. Er was ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen duidelijkheid over de nadere invulling van de bestemming, waardoor deze niet in het plan is opgenomen.

2.3.2. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - woongebouw (W)" aangewezen gronden -voor zover hier van belang- bestemd voor (gestapelde)gebouwen ten behoeve van woningen/wooneenheden al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep tot ten hoogste 30% van de gebruiksoppervlakte en een maximum van 50 m².

2.3.3. Ter zitting is toegelicht dat het perceel [locatie 1] voorheen als woning werd gebruikt en thans voor opslag. Op het perceel [locatie 2] was beneden een café gevestigd en boven een woning voor de café-exploitant, maar het café wordt nu niet meer geëxploiteerd. Beide panden zijn sinds ongeveer zes jaar niet meer bewoond. [appellant sub 1] is niet van plan zijn percelen overeenkomstig de toegekende bestemming te gebruiken. Naar aanleiding hiervan is ter zitting namens de raad erkend dat door het ontbreken van medewerking van [appellant sub 1] onzeker is of op de gronden van [appellant sub 1] de bestemming "Wonen - woongebouw (W)" binnen de planperiode verwezenlijkt zal worden. Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat het plan, voor zover daarbij aan de percelen [locatie 1 en 2] een woonbestemming is gegeven, uitgevoerd zal worden.

2.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft het plandeel dat ziet op de percelen [locatie 1 en 2] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

Het beroep van Aldi

2.5. Aldi heeft ter zitting haar beroepsgrond dat moet worden gevreesd voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau ter plaatse ingetrokken.

2.6. Aldi voert aan dat aan een te groot deel van het plangebied de bestemming "Centrum" is toegekend. Zij stelt dat de bestemmingsomschrijving een grote verscheidenheid aan functies toestaat, waarvan een deel niet thuishoort in een centrumgebied. Een belangenafweging omtrent het toestaan van de grote verscheidenheid aan functies ontbreekt volgens haar en de globale bestemming die is toegekend aan de gronden vormt een flink contrast met de toegekende bestemmingen op maat van de omringende gronden.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet ongebruikelijk is om aan een redelijk dynamisch stadscentrum een globale centrumbestemming toe te kennen waarin uitwisseling kan bestaan tussen functies die veelal in een stadscentrum voorkomen. Een te starre regeling blokkeert het functioneren van het centrum, aldus de raad. De raad betoogt dat niet alle bedrijven uit categorieën 1 en 2 zich zullen willen vestigen in het centrum. Naast de planologische eisen zullen ook milieueisen aanvullend een sturende werking hebben.

2.6.2. De bestemming "Centrum" is toegekend aan de gronden in het midden van het plangebied. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn binnen de bestemming "Centrum" toegestaan:

a. (gestapelde) gebouwen ten behoeve van woningen/wooneenheden al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep tot ten hoogste 30% van de gebruiksoppervlakte en een maximum van 50 m²;

b. gebouwen ten behoeve van detailhandel en dienstverlening;

c. gebouwen ten behoeve van horeca, categorie 1, voor zover de gronden zijn aangeduid met "(h I)";

d. gebouwen ten behoeve van horeca, categorie 2, voor zover de gronden zijn aangeduid met "(h II)";

e. gebouwen ten behoeve van maatschappelijke instellingen;

f. gebouwen ten behoeve van bedrijfs/dienstwoningen;

g. gebouwen ten behoeve van cultuur en ontspanning, voor zover de gronden nader zijn aangeduid met "(co)";

h. gebouwen ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen, voor zover de gronden nader zijn aangeduid met "(pg)";

i. gebouwen ten behoeve van bedrijven tot categorieën 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten;

j. gebouwen ten behoeve van vuurwerkopslag en verkoop van vuurwerk, voor zover de gronden nader zijn aangeduid met "(v)";

k. (gebouwen ten behoeve van) verkeers- en verblijfsdoeleinden;

l. tuinen, erven en terreinen;

m. straten, paden en verblijfsdoeleinden;

n. terreinen voor het houden van evenementen (kermis), voor zover de gronden nader zijn aangeduid met "(ev)";

o. (gebouwen ten behoeve van) nutsvoorzieningen;

p. (gebouwen ten behoeve van) parkeervoorzieningen;

q. groenvoorzieningen en waterlopen;

r. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.6.3. De bestemming "Centrum" is weliswaar aan een groot aantal gronden toegekend, maar komt in grote lijnen overeen met de Structuurvisie Winschoten van mei 2004 (hierna: de Structuurvisie). De planregeling laat een veelheid aan functies toe. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om de mate van gedetailleerdheid van het plan te bepalen. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat een globale bestemming in een dynamisch centrum de voorkeur heeft, omdat een starre regeling de functies eerder zal blokkeren en het centrumgebied zich onderscheidt van de omringende gronden. Aldi heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sommige functies niet thuis horen in het centrumgebied.

2.7. Wat betreft het plandeel met de bestemming "Centrum" voor zover toegekend aan het perceel aangeduid als de Klinkerlocatie, ten noorden van de mr. D.U. Stikkerlaan, voert Aldi specifiek aan dat de keuze voor een globale bestemming niet redelijk is, gelet op de concrete plannen ter plaatse. Een op maat gesneden bestemming zou volgens Aldi beter zijn.

2.7.1. De raad brengt naar voren dat naast het initiatief van de gemeente om ter plekke een nieuw cultuurcentrum te realiseren, een overeenkomst is gesloten met een derde partij, waardoor thans feitelijk is uitgesloten dat andere dan de door de raad gewenste ontwikkelingen ter plaatse worden gerealiseerd.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de raad beleidsvrijheid heeft ten aanzien van invulling van een plan. De raad kan zodoende kiezen voor een globale planregeling. In het enkele feit dat de raad thans al concreet voor ogen staat wat de gewenste invulling ter plaatse is, is geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de raad met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen binnen de planperiode niet in redelijkheid voor een ruimere bestemming heeft kunnen kiezen.

2.8. In hetgeen Aldi heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.9. [appellant sub 3] en anderen achten de bebouwing die is voorzien in de plandelen, die grenzen aan de Ludensweg, niet passend in de omgeving. Het plan maakt ter plaatse grote en massale bebouwing mogelijk, hetgeen benadrukt wordt doordat de woningen van [appellant sub 3] en anderen anderhalve meter lager liggen dan de omliggende gronden.

2.9.1. [appellant sub 3] en anderen zijn allen woonachtig aan de Ludensweg, ten noorden van het plangebied. Ten westen van hun woningen is aan de gronden de bestemming "Centrum" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Gelet op artikel 4, lid 4.2, onder f van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte grotendeels 4 meter en aan de meest noordelijke zijde van het bouwvlak 10 meter. Ten oosten en ten zuiden van hun woningen is aan de gronden de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Verder is ter plaatse aan de zuidkant van hun woningen een bouwvlak opgenomen. Ingevolge artikel 10, lid 10.2, onder e, van de planregels bezien in samenhang met de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte voor bebouwing in dit bouwvlak ter hoogte van de woningen 9 onderscheidenlijk 18 meter. Op het achterliggende noordoostelijke deel is een bouwhoogte van 27 meter toegestaan.

2.9.2. De raad heeft uiteengezet dat een opwaardering van het noordelijk centrumgebied noodzakelijk is voor een grotere aantrekkingskracht van het gebied. De stedelijke en winkelstructuur zal volgens de raad verbeteren na aanleg van een noordelijk bronpunt aan de zijde van de Langestraat. Het bronpunt kan alleen functioneren met voldoende kritische massa, de juiste functies en voldoende parkeervoorzieningen. Dit, in combinatie met één of twee trekkers in de detailhandel, toont het algemene nut voldoende aan, aldus de raad. Elementen in de plannen voor de opwaardering zijn een nieuw cultuurhuis, een publiekstrekker in de vorm van een servicesupermarkt, een zorgboulevard en woonappartementen. Die appartementen boven de voorzieningen hebben een dubbele functie. Zij bieden een basis voor de financiering en vormen door de hoogte een markeringspunt in de stad. Zij markeren daarmee tevens de Mr. D.U. Stikkerlaan als entree van de stad. In de jaren 2005-2009 zijn voor de beoogde ontwikkeling een masterplan en een stedenbouwkundig plan opgesteld, die uitgebreid worden besproken in het plan, aldus de raad. De bouwvlakken en bouwhoogten stemmen overeen met het stedenbouwkundig plan, zoals opgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 2 september 2008.

2.9.3. De Afdeling overweegt dat de raad de gekozen hoogtes en de bouwmassa van de gebouwen passend heeft mogen achten in een stedelijke centrumlocatie. Dit standpunt is in de plantoelichting onder verwijzing naar het masterplan en het stedenbouwkundige plan voldoende gemotiveerd. De enkele stelling dat de woningen van [appellant sub 3] en anderen lager zijn gelegen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.10. [appellant sub 3] en anderen vrezen voor negatieve gevolgen op het gebied van privacy en van zonlichttoetreding als gevolg van het plan op dit punt.

2.10.1. De raad stelt dat de gevolgen voor de woningen van [appellant sub 3] en anderen in de afweging zijn betrokken. De raad erkent dat hun privacy zal verminderen, maar acht dit inherent aan de herontwikkeling van het gebied tot bronpunt voor de binnenstad. Nu de woningen aan de rand van de binnenstad grenzen acht hij de vermindering aanvaardbaar.

2.10.2. De minimale afstand van de woningen van [appellant sub 3] en anderen tot het plandeel met de bestemming "Centrum" bedraagt ongeveer 15 meter. De afstand van die woningen tot het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" varieert van ongeveer 10 tot 50 meter. Hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onevenredige aantasting van de privacy voor [appellant sub 3] en anderen door dit plandeel zal optreden. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de afstand van de diverse woningen tot de plandelen mede in relatie tot de voorziene bouwhoogtes niet te gering is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het om een centrumlocatie gaat. Het gedeelte waarop een bouwhoogte van 27 meter is toegestaan is voorts het verst van de woningen aan de Ludensweg verwijderd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat door het plandeel onaanvaardbare vermindering van de bezonning zal optreden.

2.11. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat de behoefte aan de met de plandelen mogelijk gemaakte 106 wooneenheden niet is aangetoond, nu Winschoten een zogenaamde krimpgemeente is en er een gebrek aan werkgelegenheid is. Daarnaast worden woningen in de huidige markt slecht verkocht. [appellant sub 3] en anderen twijfelen gelet hierop aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan op dit punt.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat woningbouw past binnen het gemeentelijk Woonplan van december 2001. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de afgelopen jaren een groot aantal woningen is afgebroken.

2.11.2. Volgens het Woonplan moeten gemiddeld 155 woningen per jaar nieuw worden gebouwd en 105 worden gesloopt. In de plantoelichting is daarover het volgende aangegeven. Naar aanleiding van overleg met de provincie zijn de nieuw te bouwen aantallen herzien en wordt voor minder woningen ontwikkelruimte geboden dan waar eerder vanuit was gegaan. Prioriteit wordt gelegd bij lopende/voorgenomen projecten in het centrumgebied. Voor de periode 2009 tot 2014 is er ontwikkelruimte voor 405 woningen. De inhaalslag speelt zich deels af in de buiten het centrum gelegen wijkvernieuwingsgebieden. Een deel van de opgave bevindt zich echter wel in het centrumgebied. Voor een aantal ontwikkelingsprojecten binnen het bestemmingsplangebied voor het Centrumplan is er op dit moment voldoende contingent. Hierbij wordt het noordelijk centrumgebied expliciet genoemd. Bezien voor het plangebied in het geheel resulteert het in een benodigd contingent van 196 woningen. Dit aantal past binnen de actuele gemeentelijke woningbouwplanning en het overleg dat daarover begin 2009 met de provincie heeft plaatsgevonden. Het aantal te bouwen woningen dient steeds in overeenstemming te zijn met de gemaakte afspraken over woningbouwcontingenten. Aldus is volgens de plantoelichting afstemming op het regionaal en provinciaal volkshuisvestingsbeleid verzekerd.

2.11.3. De Afdeling overweegt gelet op het vorenstaande dat het standpunt van de raad dat ook in een krimpsituatie behoefte kan bestaan aan vernieuwing en er in het noordelijk centrumgebied behoefte is aan nieuwbouwwoningen niet onredelijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting onweersproken is gesteld dat de afgelopen jaren reeds een groot aantal woningen is afgebroken. Voorts zal de voorziene zorgfunctie nabij de woningen van [appellant sub 3] en anderen voor minder ruimte voor woningen zorgen en is van belang dat over de woningbouw afstemming heeft plaats gevonden met het provinciebestuur. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre niet financieel uitvoerbaar is.

2.12. [appellant sub 3] en anderen vrezen overlast van onder meer af- en aanrijdende auto's als gevolg van het parkeerterrein met 190 parkeerplaatsen dat mogelijk wordt gemaakt ten oosten en zuidoosten van hun woningen, nu deze zijn gesitueerd tegen hun achtertuinen aan en de ontsluitingsweg is voorzien grenzend aan het perceel van [appellant sub 3]. Voorts stellen ze dat de voorzieningen in het algemeen een verkeersaantrekkende werking zullen hebben. Nu voor het hele gebied, met uitzondering van de Ludensweg, het systeem van betaald parkeren zal worden ingevoerd, zal de parkeerdruk op de Ludensweg onacceptabel toenemen, aldus [appellant sub 3] en anderen.

2.12.1. De raad bestrijdt dat het parkeerterrein een capaciteit van 190 parkeerplaatsen zal krijgen. Tevens is op deze locatie reeds sprake van een parkeerterrein. Het gebruik van dit terrein zal deels ten dienste van de aan de Mr. D.U. Stikkerlaan te realiseren appartementen staan. Er is ook voorzien in parkeren onder de te realiseren bebouwing. Feitelijk verandert er niet veel. Hooguit krijgt het terrein een betere aankleding, aldus de raad.

Ten aanzien van het betaald parkeren stelt de raad zich op het standpunt dat nu reeds sprake is van betaald parkeren in de binnenstad, waardoor reeds een zekere parkeerdruk bestaat in de straten waar niet betaald hoeft te worden. Zodoende wordt nu ook reeds aan de Ludensweg geparkeerd en de raad verwacht dat dit niet zal veranderen op basis van voorliggend plan.

2.12.2. Ter zitting is gebleken dat thans reeds een parkeerterrein achter de woningen van [appellant sub 3] en anderen is gesitueerd. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het plan geen wijziging behelst ten aanzien van dit parkeerterrein. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het plan meer overlast zullen ondervinden van het parkeren ter plaatse.

De raad heeft voorts onweersproken gesteld dat op de Ludensweg reeds een zekere parkeerdruk bestaat nu het ook in de huidige situatie zo is dat in de aangrenzende straten voor parkeren betaald moet worden en op de Ludensweg niet. Voor zover de parkeerdruk op de Ludensweg wordt veroorzaakt door de invoering van betaald parkeren wordt overwogen dat tegen het betaald parkeren in het kader van dit plan niet kan worden opgekomen. Dat de in de plandelen mogelijk gemaakte voorzieningen een verkeersaantrekkende werking zullen hebben die de parkeerdruk op de Ludensweg nog zal vergroten is niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt overwogen dat voorzien is in parkeren onder de te realiseren bebouwing.

2.13. [appellant sub 3] en anderen stellen dat ten onrechte het plandeel met de bestemming "Centrum" supermarkten nabij hun percelen mogelijk maakt. Een distributieplanologisch onderzoek voor de supermarkten ontbreekt ten onrechte. [appellant sub 3] en anderen vrezen voor ontregeling van de detailhandelsstructuur.

2.13.1. Voor de vestiging van de supermarkten is wel degelijk een distributieplanologisch onderzoek uitgevoerd, aldus de raad. Uit het rapport "Actualisatie beleidsvisie detailhandel" van 1 oktober 2007 (hierna: Actualisatie detailhandelsvisie) volgt volgens de raad dat voldoende ruimte bestaat voor de geplande detailhandel ter plaatse.

2.13.2. Nu een distributieplanologisch onderzoek niet ontbreekt, ontbeert de beroepsgrond in zoverre een feitelijke grondslag. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3; www.raadvanstate.nl) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van een mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaarbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Gezien de omvang van het huidige winkelaanbod in Winschoten acht de Afdeling niet aannemelijk dat het plandeel met de bestemming "Centrum" zal leiden tot het verdwijnen van een zo groot deel van het bestaande winkelaanbod in de directe omgeving dat voor een relevant deel van de inwoners wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijkse boodschappen.

2.14. [appellant sub 3] en anderen vrezen voor wateroverlast als gevolg van het plan op dit punt. Zij wijzen er op dat thans reeds vochtproblemen en problemen met de afwatering bestaan als gevolg van hun lager gelegen woningen.

2.14.1. De raad onderkent dat de huidige wateroverlast waarschijnlijk een gevolg is van een gebrekkige afvoer van het water en heeft hieraan aandacht besteed. De raad ziet echter geen reden om te veronderstellen dat de voorziene nieuwbouw zal leiden tot wateroverlast, nu het hemelwater op verschillende plekken wordt opgevangen en afgevoerd door een apart rioleringsstelsel.

2.14.2. In de waterparagraaf in de plantoelichting is opgenomen dat in het noordelijk centrumgebied de totale verharde oppervlakte niet wordt vergroot en dat hieruit geen watercompensatie opgave volgt. De Afdeling overweegt dat de raad de mogelijke wateroverlast heeft onderkend en hieraan tevens aandacht heeft besteed bij de voorbereiding van het plan. De vrees van [appellant sub 3] en anderen is onvoldoende gefundeerd.

2.15. [appellant sub 3] en anderen hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 3] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.16. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Germie

2.17. Germie kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemmingen "Centrum" en "Waarde - archeologie gebied 1" toegekend aan zijn perceel aan het Burgemeester Schönfeldplein 2b en de Langestraat 3. Germie betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de van rechtswege aan haar verleende bouwvergunning op haar aanvraag van 28 juni 2007 voor de bouw van een winkel met bedrijfsruimte. Germie wijst erop dat een intentieovereenkomst tussen Germie en het gemeentebestuur is gesloten over de ontwikkeling van de desbetreffende gronden. Volgens haar passen haar plannen binnen de gemeentelijke ruimtelijke visie.

2.17.1. De raad beaamt dat reeds geruime tijd overleg plaats vindt met Germie. De raad bestrijdt dat van rechtswege bouwvergunning is verleend. De aanvraag is afgewezen. De raad heeft alleen datgene opgenomen in het plan waarvoor een bouwvergunning is verleend. Aangezien het plan onderdeel is van een actualiseringsproces en primair een conserverend karakter heeft en met Germie nog overleg gaande is over de toekomstige ontwikkeling van de locatie, is afgezien van het geven van een ruimere bestemming dan nodig is voor het bestemmen van de bestaande situatie.

2.17.2. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag waar Germie op doelt betrekking heeft op een reguliere bouwvergunning eerste fase en is ingediend op 28 juni 2007. Gelet op artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, beslist het college van burgemeester en wethouders omtrent een dergelijke aanvraag binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag. De beslissing op de aanvraag is met zes weken verdaagd. Het college diende uiterlijk 21 september 2007 op de aanvraag te beslissen. De aanvraag is afgewezen bij besluit van 19 september 2007. Nu de afwijzing is geschied binnen de wettelijke termijn, is reeds daarom geen sprake van een van rechtswege verleende vergunning. Het plan is op dit punt in overeenstemming met de bestaande situatie. Voorts heeft de raad ten tijde van het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien om in zoverre te voorzien in verdere ontwikkelingsmogelijkheden.

2.18. Germie voert verder aan dat het bodemprofiel door de vele verbouwingen reeds zodanig is verstoord, dat naar verwachting geen sprake meer kan zijn van archeologische waarde. Bovendien strekt artikel 18, lid 18.2 en lid 18.3, van de planregels verder dan de bestemmingsomschrijving rechtvaardigt.

2.18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aan de gronden van Germie toegekende dubbelbestemming "Waarde-Archeologie I" is gerechtvaardigd doordat de locatie is gelegen binnen de oude vestingstructuur van Winschoten. Om uit te sluiten dat archeologische waarden aanwezig zijn, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Artikel 18, lid 18.3, van de planregels geeft de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van het bouwverbod voor nieuwe gebouwen in lid 18.2. Dat daarbij voorschriften aan deze ontheffing kunnen worden verbonden is passend bij de gegeven bestemming, aldus de raad. Gelet op de bepalingen uit artikel 18 kan niet worden gesteld dat Germie in haar belangen wordt geschaad, aldus de raad.

2.18.2. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Waarde - archeologie gebied I" aangewezen gronden, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden.

Ingevolge lid 18.2 geldt voor het bouwen van gebouwen binnen de bestemming "Waarde -archeologie gebied 1" dat een op grond van de basisbestemming toelaatbaar gebouw niet mag worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen die bestaan ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan.

Ingevolge lid 18.3 kan door het college van burgemeester en wethouders ontheffing worden verleend van het bepaalde in lid 18.2, indien:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;

c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;

2. een verplichting tot het doen van opgravingen, of;

3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is om aan de ontheffing voorwaarden te verbinden kan een ter zake kundige instantie om advies worden gevraagd.

2.18.3. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), zoals die wet luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.18.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt temeer indien gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de kosten voor het archeologische vooronderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers.

Paragraaf 3.5 van de plantoelichting gaat in op het archeologiebeleid. Hieruit volgt dat voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologisch bureauonderzoek is verricht in 2004. In dat onderzoek is de archeologische verwachtingswaarde in kaart gebracht waar zich potentiële waarden bevinden die nader onderzoek noodzakelijk maken bij toekomstige ontwikkelingen. Binnen het centrumgebied komt volgens de plantoelichting een archeologisch monument van hoge archeologische waarde voor.

Ten aanzien van dit gebied wordt geconcludeerd dat een hoge trefkans op archeologische sporen aanwezig is. Door de gemeente is opdracht gegeven voor het opstellen van een archeologische waardenkaart, maar deze was medio 2009 nog niet beschikbaar. De plantoelichting vervolgt door te stellen dat het oorspronkelijke bodemprofiel in grote delen van het gebied is verstoord door bouwwerken en infrastructurele werken, zodat van archeologische waarden geen sprake meer kan zijn. Bij bodemingrepen in de oudere delen binnen het plangebied en binnen ontwikkelingslocaties wordt geadviseerd een inventariserend archeologisch veldonderzoek te verrichten om de archeologische verwachtingswaarde te toetsen.

2.18.5. De Afdeling stelt vast dat het perceel van Germie is gelegen binnen de oude vestingstructuur. Gezien het gestelde in de plantoelichting ligt derhalve aan de toegekende dubbelbestemming bureauonderzoek ten grondslag, waaruit een archeologische waarde van het gebied blijkt. Germie heeft niet aannemelijk gemaakt dat door roering van de grond de archeologische waarde van het gebied verloren is gegaan. Gezien de omstandigheid dat de bestemmingsomschrijving is gericht op het herstel en behoud van de archeologische waarden, heeft de raad een bouwverbod voor nieuwe bebouwing met daaraan verbonden een ontheffingsbevoegdheid passend kunnen achten.

2.19. In hetgeen Germie heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Galaplan

2.20. Galaplan kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Woongebied" toegekend aan haar percelen Gaslaan 1d tot en met 9, voor zover daarvoor slechts voorzien is in woningen, terwijl haar plannen voor een bestemming "Centrum" positief door het gemeentebestuur waren ontvangen. Naar aanleiding van de positieve reactie heeft Galaplan aanzienlijke investeringen gedaan voor het verwerven van de percelen en het uitwerken van de nieuwbouwplannen. Nu de bestemming "Woongebied" haar niet de mogelijkheid geeft haar plannen te verwezenlijken, verzoekt zij om de bestemming "Centrum". Galaplan voert aan dat in de Structuurvisie de exacte grens tussen het winkel- en het woongebied niet is af te leiden en van strijd van haar plannen met de Structuurvisie derhalve geen sprake kan zijn. Zij acht een invulling met winkels en bedrijfsruimtes ter plaatse passen in het ruimtelijk beleid, nu de Gaslaan in directe verbinding staat met andere winkelstraten en ook een voetgangersverbinding is tussen verschillende straten. Galaplan wijst erop dat aan de achter haar gronden gelegen parkeerplaats en de op dezelfde hoogte gelegen gebouwen in het plan wel de bestemming "Centrum" is toegekend.

2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen harde toezeggingen zijn gedaan en dat mogelijke informele toezeggingen niet schriftelijk zijn bevestigd. De raad bestrijdt dat de door Galaplan geschetste ontwikkeling tot de mogelijkheden van het voorgaande plan behoorde. Een bouwaanvraag voor deze ontwikkeling is door het college van burgemeester en wethouders afgewezen en deze afwijzing is inmiddels onherroepelijk. Ontwikkeling van deze locatie voor detailhandel of bedrijfsruimte, al dan niet in combinatie met wonen, stuit volgens de raad al enkele jaren op bezwaren uit de Structuurvisie en Actualisatie Detailhandelsvisie. De Gaslaan is weliswaar een langzaamverkeersverbinding tussen de mr. D.U. Stikkerlaan en de Langestraat, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de Gaslaan een vestigingslocatie kan zijn voor detailhandel of bedrijfsruimte, aldus de raad.

2.20.2. In de Structuurvisie is vermeld dat teneinde een kwalitatief goed functionerend winkelgebied te creëren het van belang is om een duidelijk en compact winkelgebied af te bakenen. Het winkelgebied tussen het Oldambtplein en 't Rond is daarvoor aangewezen. Beide locaties functioneren als twee polen, waartussen het winkelgebied langs de Venne en de Langestraat zich uitstrekt (het zogenoemde haltermodel). Dit haltermodel is uitgewerkt op kaart 11, waarop de gronden waarop de functie centrum gewenst is, worden aangeduid. Alhoewel kaart 11 behorende bij de Structuurvisie niet erg gedetailleerd is, kan daaruit naar het oordeel van de Afdeling wel worden afgeleid dat de gronden van Galaplan niet tot het winkelcentrum kunnen worden gerekend. De wens van Galaplan is derhalve in strijd met de Structuurvisie. Galaplan heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de raad in dit geval van de Structuurvisie had dienen af te wijken. Het enkele feit dat de Gaslaan een voetgangersverbinding vormt tussen de mr. D.U. Stikkerlaan en de Langestraat is hiervoor onvoldoende.

Over het betoog van Galaplan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat Galaplan niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een bestemming "Centrum" ter plaatse zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.21. Galaplan herhaalt en last haar zienswijze in, voor zover daarin is verzocht om uitbreiding van het bouwvlak op haar perceel, waarbij de achtergrens zou moeten komen liggen ter hoogte van de grens tussen Langestraat 53 en 51. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Galaplan heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.22. In hetgeen Galaplan heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.23. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

2.24. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van Aldi, [appellant sub 3] en anderen, Germie en Galaplan bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] behoudens voor zover het is gericht tegen het plandeel voor de percelen [locatie 1 en 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Winschoten van 1 juli 2009, met nummer 11, tot vaststelling van bestemmingsplan "Centrum, Winschoten", wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - woongebouw (W)" met de dubbelbestemming "Waarde-archeologie gebied I (WR-A I)" met betrekking tot het perceel [locatie 1 en 2];

IV. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aldi Drachten B.V., [appellant sub 3] en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Germie Beleggingen B.V. en de vennootschap onder firma Galaplan ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Oldambt tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Oldambt aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

91-673.