Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201009727/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de overkapping met (kantoor)unit van het perceel [locatie] te Bosschenhoofd (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009727/1/H1.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

2. [appellant sub 2], wonend te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 augustus 2010 in zaak nr. 10/342 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de overkapping met (kantoor)unit van het perceel [locatie] te Bosschenhoofd (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2010, verzonden op 31 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat ziet op de last onder dwangsom met betrekking tot de overkapping en op de hoogte van de dwangsom, het besluit van 17 november 2009 in zoverre vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 16 juni 2009 gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering daarvan, opnieuw ongegrond verklaard.

Het college en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2011, waar het college, vertegenwoordigd door S.M. Thieme-van der Ree, werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2], bijgestaan door ing. P.Q.J. Paantjens, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, deelgebieden Hoeven en Oudenbosch" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn op die gronden binnen een oppervlakte van ten hoogste 500 m2 toegelaten:

a. één woning of één standplaats voor een woonwagen;

b. bij woningen/woonwagens behorende bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. tuin/erf en andere bij de woning/woonwagen passende voorzieningen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, gelden voor het bouwen van bijgebouwen bij woningen de volgende bepalingen:

a. de bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de in het eerste lid genoemde oppervlakte van 500 m2, op een afstand van ten minste 2 m, gemeten vanaf de voorgevelrooilijn;

d. het gezamenlijke oppervlak van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50 m2.

Ingevolge artikel 1, onder 72, wordt onder voorgevelrooilijn verstaan de snijlijn van het voorgevelvlak van een woning en het grondvlak, waarop de woning zich bevindt.

2.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] de bouwwerken heeft opgericht zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering. Daartoe voert hij aan dat ervan moet worden uitgegaan dat de voorgevelrooilijn evenwijdig aan de as van de openbare weg is gelegen, zodat de ligging van de (kantoor)unit in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.3.1. Daargelaten het antwoord op de vraag of de gevel van de woning die haaks op de weg is gelegen dan wel de gevel die evenwijdig aan de weg is gesitueerd als voorgevel moet worden aangemerkt, kan het betoog van [appellant sub 2] niet leiden tot het door hem daarmee beoogde doel.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat met de op het perceel aanwezige schuur, die een oppervlakte heeft van 54 m2, de toegestane gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen op het perceel, te weten 50 m2, reeds wordt overschreden. Dit betekent dat door de aanwezigheid van de overkapping en de (kantoor)unit, waarvan de gezamenlijke oppervlakte ongeveer 85 m2 bedraagt, strijd bestaat met artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. Nu het college niet bereid is ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van concreet zicht op legalisering geen sprake is.

Het betoog faalt.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het voor wat betreft de overkapping terecht heeft getoetst aan de regelgeving die betrekking heeft op bijgebouwen. Het voert in dit verband aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, de vraag of het de last onder dwangsom ten aanzien van de overkapping terecht heeft opgelegd, beoordeeld dient te worden aan de hand van de situatie ten tijde van het besluit van 16 juni 2009.

2.4.1. Het enkele feit dat [appellant sub 2], naar hij stelt, na het nemen van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom aan deze last heeft voldaan door te bewerkstelligen dat de overkapping niet langer als een gebouw kan worden aangemerkt, wat daarvan zij, maakt niet dat dit besluit niet in redelijkheid kan worden gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 in zaak nr. 200306954/1). Nu, zoals ter zitting is bevestigd, ten tijde van het besluit van 16 juni 2009 sprake was van een bijgebouw, heeft het college terecht getoetst aan artikel 9, derde lid, van de planvoorschriften en artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, en heeft het zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. Voor zover het college beoogt te betogen dat de rechtbank ten onrechte is ingegaan op de door [appellant sub 2] aangevoerde grond dat de opgelegde dwangsom te hoog is, aangezien [appellant sub 2] deze grond niet in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, wordt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2010 in zaak nr. 200904646/1/H1 overwogen dat de toetsing door de rechtbank van het besluit op bezwaar naar de feiten en omstandigheden ten tijde daarvan er niet aan in de weg staat en voorts geen rechtsregel verbiedt dat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van dat besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in bezwaar naar voren zijn gebracht.

2.6. Het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de hoogte van de dwangsom op geen enkele wijze heeft gemotiveerd, slaagt eveneens. Zoals ter zitting van de rechtbank is toegelicht, heeft het college de dwangsom gebaseerd op de "Tabel eenheidsprijzenlijst berekening bouwkosten t.b.v. bouwleges 2008", behorend bij de "Uitvoeringsregeling vaststelling bouwkosten bij berekening bouwleges". Mede gelet op de beleidsvrijheid die het college in dezen toekomt, acht de Afdeling het door het college vastgestelde bedrag van € 14.000,00, dat aansluit bij de nieuwbouwkosten van soortgelijke bouwwerken, niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de hoogte van een dwangsom in redelijke verhouding dient te staan tot de door de overtreding geschonden belangen, en dat van dwangsommen een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte wordt voorkomen.

2.7. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 17 november 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2009. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant sub 2], gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan dit besluit de grondslag ontvallen. Het beroep van [appellant sub 2] tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit eveneens vernietigen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 augustus 2010 in zaak nr. 10/342;

IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge van 11 januari 2011, kenmerk Mozaieknr 26623, gegrond;

VI. vernietigt dit besluit.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

531-619.