Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201009914/1/T1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 februari 2007 heeft CSD verzocht om ontheffing van het verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens van de categorieën I en III ten behoeve van de training van internationale hulpverleners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009914/1/T1/H3.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centre for Safety and Development (hierna: CSD),

gevestigd te Amersfoort,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 september 2010 in zaak nr. 09/99 in het geding tussen:

CSD

en

de minister van Justitie, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij brief van 29 februari 2007 heeft CSD verzocht om ontheffing van het verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens van de categorieën I en III ten behoeve van de training van internationale hulpverleners.

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft de minister het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 16 december 2008 heeft de minister het door CSD daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door CSD daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft CSD bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar CSD, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [medewerker in dienst van CSD], bijgestaan door mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. dos Santos, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 4 van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm), voor zover thans van belang, kan de minister van bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften of verboden vrijstelling of, op daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen voor daarbij te omschrijven wapens of munitie, behorend tot een van de volgende groepen:

a. wapens die niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken zijn.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden een wapen van categorie I voorhanden te hebben.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

2.2. CSD heeft in de brief van 29 februari 2007 medegedeeld dat het verzoek om ontheffing ziet op de volgende wapens: tweemaal een AK-47 met dichtgelaste kamer, tweemaal een Walther CP99 (CO2), tweemaal een Umarex Colt 1911 A1 (CO2) en eenmaal een FN FAL met dichtgelaste kamer.

De minister heeft aan het besluit van 5 februari 2008 ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 4 van de Wwm van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften of verboden ontheffing kan worden verleend aan diegenen die een redelijk belang hebben bij het voorhanden hebben van de wapens waarvoor ontheffing wordt verzocht. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een redelijk belang van CSD op grond waarvan de gevraagde ontheffing verleend kan worden.

In het besluit van 16 december 2008 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de wapens waarvoor CSD ontheffing heeft gevraagd niet behoren tot een van de in artikel 4 van de Wwm vermelde groepen en dat hij om die reden niet bevoegd is ontheffing voor die wapens te verlenen. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de vraag of CSD een redelijk belang bij toewijzing van de aanvraag heeft, aldus de minister.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat CSD niet aannemelijk heeft gemaakt dat, zoals zij in beroep heeft gesteld, de wapens waarvoor zij ontheffing heeft verzocht wapens zijn van de in artikel 4, aanhef en onder a, van de Wwm genoemde groep. Zij heeft overwogen dat artikel 3:2 van de Awb niet zover strekt dat de minister zelf actief had moeten nagaan of CSD aan de voorwaarden voor ontheffing voldoet. Het lag in de eerste plaats op de weg van CSD om zelf direct de nodige gegevens te verschaffen, zoals ook volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, aldus de rechtbank. Aan die verplichting heeft CSD naar haar oordeel niet voldaan, omdat zij heeft nagelaten duidelijk te maken op welke concrete wapens de aanvraag betrekking heeft en dat die wapens niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken zijn, zoals in artikel 4, aanhef en onder a, van de Wwm is vereist. De minister heeft de aanvraag van CSD daarom mogen afwijzen, aldus de rechtbank.

2.4. CSD betoogt, voor zover thans van belang, dat de rechtbank aldus heeft miskend dat zij in de brief van 29 februari 2007 heeft vermeld op welke specifieke wapens het verzoek om ontheffing ziet. Omdat zij deze wapens wil kopen van een houder van een erkenning, als bedoeld in artikel 9 van de Wwm, kan ervan uit worden gegaan dat de wapens op zodanige wijze onklaar zijn gemaakt dat deze niet meer voor gebruik als wapen geschikt te maken zijn en dus tot de in artikel 4, aanhef en onder a, van de Wwm genoemde groep behoren, aldus CSD.

2.4.1. In de brief van 29 februari 2007 heeft CSD kenbaar gemaakt voor welk type wapens zij ontheffing vraagt en op welke wijze die wapens onklaar zijn gemaakt. Zij mocht er vanuit gaan dat zij hiermee de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens had verschaft. De minister heeft zich eerst ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat die gegevens onvoldoende zijn om vast te stellen of de wapens behoren tot de in artikel 4, aanhef en onder a, van de Wwm genoemde groep, omdat daaruit niet blijkt op welke concrete wapens de aanvraag betrekking heeft, van wie CSD de wapens wil kopen en dat deze deugdelijk onklaar zijn gemaakt en dat de aanvraag reeds op die grond moet worden afgewezen. De rechtbank is de minister daarin gevolgd. De Afdeling begrijpt het ten opzichte van het primaire besluit en het besluit op bezwaar gewijzigde standpunt aldus dat, nu de genoemde gegevens niet zijn verstrekt de aanvraag reeds op die grond moet worden afgewezen. Dat impliceert dat gegevens noodzakelijk waren voor de behandeling van de aanvraag. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb strekt er mede toe dat een bestuursorgaan niet ten nadele van de aanvrager mag besluiten reeds omdat voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens niet door hem zijn verschaft, zonder de aanvrager gelegenheid te geven die gegevens alsnog te verstrekken. Aan die strekking wordt afbreuk gedaan, indien het bestuursorgaan in zo'n geval, zonder evenbedoelde gelegenheid te bieden, de aanvraag reeds wegens het ontbreken van de gegevens afwijst, zij het niet buiten behandeling laat. Zonder toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, kon de minister zich derhalve niet voldoende gemotiveerd op het standpunt stellen dat de wapens waarvoor CSD ontheffing heeft gevraagd niet behoren tot een van de in artikel 4 van de Wwm vermelde groepen. De minister heeft, alvorens het besluit van 5 februari 2008 te nemen, CSD ten onrechte niet de gelegenheid geboden om de aanvraag aan te vullen met de gegevens die volgens zijn betoog ter zitting van de rechtbank voor de beoordeling daarvan nodig zijn en waarover CSD, naar zij ter zitting bij de Afdeling onweersproken heeft verklaard, eenvoudig kan beschikken.

Het voorgaande klemt temeer nu de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat, indien duidelijk was geweest dat de wapens waarop de aanvraag om ontheffing van CSD betrekking heeft niet wapens van categorie I, maar wapens van de categorieën II en III zijn, naar ter zitting van de Afdeling naar voren is gekomen, heel wel denkbaar is dat ontheffing kan worden verleend.

2.5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de staatssecretaris op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen voormeld gebrek in het besluit van 16 december 2008 te herstellen.

De staatssecretaris dient daartoe CSD in de gelegenheid te stellen om binnen twee weken de gegevens die volgens de staatssecretaris nodig zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag van een ontheffing van het verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens van de categorieën II en III - waaronder in ieder geval wordt verstaan gegevens over de concrete wapens waarop de aanvraag betrekking heeft, zoals het soort wapen, merk, type, kaliber, serienummer en categorie, uit wiens handen de wapens worden ontvangen als de ontheffing wordt verleend en op welke wijze de wapens deugdelijk onklaar zijn gemaakt - over te leggen en vervolgens binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens mede op grond daarvan het bezwaar van CSD te beoordelen, waarbij tevens het redelijk belang van CSD bij het voorhanden hebben van de wapens wordt beoordeeld, en de uitkomst van deze beoordeling in de vorm van een nieuw besluit op bezwaar onverwijld aan CSD en de Afdeling toe te zenden.

2.6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op om de stichting Stichting Centre for Safety and Development in de gelegenheid te stellen om binnen twee weken de gegevens die volgens de staatssecretaris nodig zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag van een ontheffing van het verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens van de categorieën II en III - waaronder in ieder geval wordt verstaan gegevens over de concrete wapens waarop de aanvraag betrekking heeft, zoals het soort wapen, merk, type, kaliber, serienummer en categorie, uit wiens handen de wapens worden ontvangen als de ontheffing wordt verleend en op welke wijze de wapens deugdelijk onklaar zijn gemaakt - over te leggen en vervolgens binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens mede op grond daarvan het bezwaar van CSD te beoordelen, waarbij tevens het redelijk belang van CSD bij het voorhanden hebben van de wapens wordt beoordeeld, en de uitkomst van deze beoordeling in de vorm van een nieuw besluit op bezwaar onverwijld aan CSD en de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

419-598.