Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201010006/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010006/1/H2.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 september 2010 in zaak nr. 09/7876 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 september 2010, verzonden op 16 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 18 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. F.H.T.C. van der Bruggen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Grondwet kan ieder zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.

Ingevolge het tweede lid stelt de wet regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

2.2. [appellante] heeft op 27 maart 2009 een aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand ingediend. Op het aanvraagformulier is vermeld dat zij per 2 april 2009 is gedagvaard wegens huurachterstand en dat betaling van de huur en ontruiming van de woning wordt gevorderd. Verder is op het aanvraagformulier vermeld dat haar zoon de huur tijdens haar verblijf op Curaçao zou doorbetalen, maar dit niet heeft gedaan. Bij het besluit van 23 april 2009, gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2009, heeft de raad deze aanvraag afgewezen, omdat het rechtsbelang waarvoor een toevoeging is aangevraagd een onbetwiste vordering betreft en voor de behartiging van dat belang geen rechtsbijstand nodig is.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het voeren van de procedure waarvoor een toevoeging is gevraagd niet redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten. [appellante] voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de nevenvorderingen, te weten de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming, onlosmakelijk zijn verbonden met de huurachterstand. Met betrekking tot de ontruiming is rechtsbijstand van een advocaat aangewezen. De huurschuld is buiten haar schuld ontstaan, hetgeen een grond kan zijn niet over te gaan tot ontruiming. Het naar voren brengen van deze omstandigheden en de mogelijke implicaties daarvan vereisen juridische kennis.

2.3.1. De raad volgt de vaste gedragslijn dat indien sprake is van een niet betwiste vordering waarvoor de toevoeging wordt geweigerd, ook ten aanzien van de nevenvorderingen de toevoeging wordt geweigerd, tenzij de nevenvorderingen dermate complex van aard zijn dat juridische bijstand van een advocaat is vereist. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze vaste gedragslijn niet onredelijk is.

[appellante] heeft ter zake aangevoerd dat de vordering tot ontruiming betrekking heeft op een voor haar zeer zwaarwegend belang en voorts dat een advocaat in een procedure over ontruiming meer kan bereiken. De rechtbank heeft dienaangaande terecht overwogen dat hetgeen [appellante] aldus heeft aangevoerd niet ziet op de mate van juridische complexiteit waarvoor de bijstand van een advocaat is vereist. [appellante] moet in staat worden geacht, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet, in de procedure naar voren te brengen dat zij niet eerder een huurachterstand heeft gehad, dat zij door omstandigheden buiten persoonlijke schuld een huurachterstand heeft opgelopen en dat zij de achterstallige huur alsnog kan voldoen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gebleken is dat voor het voeren van verweer bij de kantonrechter tegen deze vorderingen de bijstand van een advocaat is vereist.

Het betoog faalt.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200703832/1) brengt het feit dat in een vergelijkbare zaak ten onrechte een toevoeging is verleend, niet mee dat het in beroep bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Het betoog dat de weigering een toevoeging te verstrekken in strijd is met artikel 18 van de Grondwet, slaagt niet. Deze bepaling geeft geen ongeclausuleerd recht op gesubsidieerde rechtsbijstand voor mindervermogenden, maar laat de regeling daarvan over aan de wetgever. Nu door de wetgever in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, bestaat geen grond voor het oordeel dat de afwijzing in strijd is met artikel 18 van de Grondwet.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

18-630.