Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201010676/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college geweigerd aan Woon IDEA vrijstelling en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van twee grondgebonden woningen en een appartementengebouw met acht appartementen op het perceel Zuideinde 163 te Oostzaan (hierna:

het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010676/1/H1.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

vennootschap onder firma Woon IDEA v.o.f., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 september 2010 in zaak nr. 08/6490 in het geding tussen:

Woon IDEA

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college geweigerd aan Woon IDEA vrijstelling en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van twee grondgebonden woningen en een appartementengebouw met acht appartementen op het perceel Zuideinde 163 te Oostzaan (hierna:

het perceel).

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het college het door Woon IDEA daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Woon IDEA daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Woon IDEA bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 december 2010.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Ter Horst heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar Woon IDEA, vertegenwoordigd door M.M. Nijdam en E. Priester, bijgestaan door mr. D. Kist, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door F.B. Dull en drs. C.S. Schipper-van der Voort, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Hoofdzaak" rusten op het perceel de bestemmingen "Gemengde bebouwing" en "Agrarische doeleinden". Het bouwplan is in strijd met laatstgenoemde bestemming en met de bij de bestemming "Gemengde bebouwing" behorende bebouwingsvoorschriften, omdat het bouwplan de maximale goothoogte van 4,5 meter overschrijdt. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het college zijn weigering om voor het bouwplan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen gehandhaafd.

2.2. Woon IDEA betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in zijn besluit van 5 augustus 2008 onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan geen bijdrage levert aan het versterken van de kwaliteit van de lintbebouwing en stedenbouwkundig en landschappelijk niet passend is. Hiertoe voert zij onder meer aan dat in de in haar opdracht opgestelde ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het specifieke karakter van het lint.

2.2.1. Het stedenbouwkundig beleid ten aanzien van het lint en het buitengebied van Oostzaan is opgenomen in de Welstandsnota Oostzaan (hierna: de welstandsnota). Dit is erop gericht de kleinschaligheid en afwisseling van het lint en het buitengebied te handhaven. Volgens de Welstandsnota is behoud van openheid in de relatie tussen weg, weiland en bebouwing gewenst. Een groot gebouw dient zo te worden ontworpen dat het een kleinschalige indruk maakt, aldus de welstandsnota. Nu het bouwplan de in de planvoorschriften neergelegde maximale goothoogte overschrijdt en het daarin voorziene appartementengebouw de zichtlijnen naar de veenweiden doorbreekt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich in het besluit van 5 augustus 2008, onder verwijzing naar voormeld beleid, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen bijdrage levert aan het versterken van de kwaliteit van de lintbebouwing en stedenbouwkundig en landschappelijk niet passend is. In de in opdracht van Woon IDEA opgestelde ruimtelijke onderbouwing, welke is neergelegd in de notitie "Project 10 woningen Zuideinde 163" van 20 februari 2007, behoefde het college, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, geen aanleiding te zien voor een ander standpunt. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het college zich in zijn besluit van 5 augustus 2008 terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt ingegaan op de spanning tussen de omvang van het appartementengebouw en de in de welstandsnota gewenste kleinschaligheid, dat in de ruimtelijke onderbouwing geen aandacht is besteed aan het in de welstandsnota geformuleerde beleid ten aanzien van het lint en dat voorbij is gegaan aan de precedentwerking van het bouwplan. Voor de door Woon IDEA voorgestane uitleg van het begrip kleinschaligheid, in die zin dat hiermee slechts de vormgeving en detaillering van het bouwplan wordt bedoeld, is in de welstandsnota geen grond te vinden. Het betoog van Woon IDEA dat het niet op haar weg lag om in de ruimtelijke onderbouwing in te gaan op het stedenbouwkundig beleid en de precedentwerking, leidt niet tot het ermee beoogde doel. Gelet op de ongewenste precedentwerking en de strijdigheid van het bouwplan met het stedenbouwkundig beleid, heeft het college, dat bij het besluit tot vrijstelling een ruime mate van beleidsvrijheid heeft, in redelijkheid vrijstelling kunnen weigeren. In voormelde ruimtelijke onderbouwing behoefde het college geen aanleiding te zien voor een ander standpunt.

Het betoog faalt.

2.3. Woon IDEA betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat ten behoeve van het bouwplan vrijstelling zou worden verleend. Hiertoe voert zij aan dat bij de voorbereiding van het bouwplan herhaaldelijk ambtelijk vooroverleg met de gemeente heeft plaatsgevonden, dat het bouwplan op instigatie van de gemeente meerdere malen is aangepast, alsmede dat uiteindelijk met het bouwplan en de ruimtelijke onderbouwing is ingestemd.

2.3.1. Dit betoog faalt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan Woon IDEA het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat Woon IDEA niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze voorwaarde is voldaan. Het betoog van Woon IDEA dat het college met het vragen van advies aan Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het bouwplan stedenbouwkundig akkoord is bevonden, faalt, reeds omdat de welstandscommissie slechts pre-adviezen heeft uitgebracht en het bouwplan, waarvoor uiteindelijk bouwvergunning is aangevraagd, niet voor advies is voorgelegd aan de welstandscommissie.

2.4. Gelet op het voorgaande, behoeft het betoog van Woon IDEA dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in zijn besluit van 5 augustus 2008 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, geen bespreking.

2.5. Anders dan Woon IDEA betoogt, is niet aannemelijk geworden dat het besluit van 5 augustus 2008 louter is ingegeven door bezwaren van omwonenden, zodat ook hierin geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank het besluit van 5 augustus 2008 ten onrechte niet heeft vernietigd. Nu de rechtbank terecht geen grond heeft gezien om het besluit van 5 augustus 2008 onrechtmatig te achten, faalt het betoog van Woon IDEA dat de rechtbank haar verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

531-593.