Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201105641/1/H1 en 201105641/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de voorzijde op het perceel [locatie] te Monnickendam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105641/1/H1 en 201105641/2/H1.

Datum uitspraak: 17 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Monnickendam, gemeente Waterland,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 12 mei 2011 in zaken nrs. 11/1899 en 11/1898 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de voorzijde op het perceel [locatie] te Monnickendam.

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Visser, en het college, vertegenwoordigd door R. Ayoub en O.A.C. de Meij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder] en [belanghebbende], bijgestaan door mr. T. de Beet, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengouw 1986" rust op het perceel de bestemming "Woningen met tuinen en erven".

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen en erven, voetpaden, groenvoorzieningen en parkeerplaatsen.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mogen op gronden aangegeven met een kruisarcering hoofdbouwmassa's, woningruimten, bijgebouwen, carports en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, onder b, mag de gezamenlijke oppervlakte van woningruimten, bijgebouwen en carports niet meer bedragen dan 40 m².

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt onder hoofdbouwmassa verstaan: de bouwmassa van een woning, die door zijn constructie of afmetingen als de belangrijkste op een bouwperceel valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, wordt onder woningruimten verstaan: bouwwerken aan voor-, zij- en/of achtergevel van een woning of woongebouw ten dienste van een groter genot van het gebruik van het hoofdgebouw, zoals serres, erkers, tochtportalen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, wordt onder carport verstaan: een bouwwerk dat een ruimte vormt, die overdekt en ten hoogste aan twee zijden door een dichte zijwand is afgescheiden, ten behoeve van de stalling van (motor) voertuigen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, onder a, sub 5, mag de dakhelling van hoofdbouwmassa's niet minder dan 40 graden en niet meer dan 60 graden bedragen.

2.3. Het bouwplan voorziet in vergroting van de woning aan de voorzijde met 9,75 m². Niet in geschil is dat de woningruimten, die aan de zijgevel van de woning zijn gebouwd, met een totale oppervlakte van 26 m², moeten worden meegenomen in de berekening van het gezamenlijk oppervlak als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften.

2.4. Het ter zitting door het college en [vergunninghouder] en [belanghebbende] ingenomen standpunt dat [appellant] niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. [appellant] is belanghebbende bij de bouwvergunning, omdat hij op een afstand van ongeveer 15 m recht tegenover het te realiseren bouwplan woont en hierop zicht heeft vanuit (de eerste verdieping van) zijn woning.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is, nu door uitbreiding van de woning aan de voorgevel de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften zal worden overschreden. Hij voert daartoe aan dat de op het perceel aanwezige carport met een oppervlakte van 21,6 m² moet worden meegenomen in de berekening van voormelde gezamenlijke oppervlakte, ondanks de omstandigheid dat de dakbedekking ervan is verwijderd. Voorts voert [appellant] aan dat de aanbouw aan de achterzijde van de woning met een oppervlakte van ongeveer 10 m² moet worden meegenomen in de berekening, omdat deze aanbouw moet worden aangemerkt als woningruimte als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

2.5.1. Niet in geschil is dat de dakbedekking van de carport ten tijde van het besluit op bezwaar van 22 februari 2011, en ook thans nog, is verwijderd. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de ruimte vanwege de verwijdering van de dakbedekking niet meer overdekt is en daarom niet meer kan worden aangemerkt als een carport als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften en derhalve voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften buiten beschouwing blijft. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat voor het opnieuw oprichten van een carport op het perceel geen gebruik meer kan worden gemaakt van de verleende bouwvergunning voor de voormalige carport.

2.5.2. De woning heeft een woonkamer die aan de achterzijde over de gehele breedte ten opzichte van de bovengelegen verdieping uitsteekt. Anders dan [appellant] stelt, maakt de omstandigheid dat dit uitstekende deel op de bouwtekening van 10 maart 1988 is aangeduid als serre nog niet dat het een serre en daarmee een woningruimte in de zin van het bestemmingsplan is. In aanmerking genomen dat de aanbouw de gehele breedte van de achtergevel beslaat en, evenals bij de negen andere gelijktijdig opgeleverde woningen aan de Leeuwetand, is gerealiseerd bij de oorspronkelijke bouw van de woning, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de aanbouw aan de achterzijde van de woning tot de hoofdbouwmassa van de woning behoort. Geen grond bestaat voor het oordeel dat dit onderdeel van de hoofdbouwmassa in strijd is met artikel 2, derde lid, onder a, sub 5, van de planvoorschriften. Dat dit bouwvoorschrift een helling tussen 40 en 60 graden voorschrijft voor het dak van een hoofdbouwmassa, betekent niet dat alle onderdelen van de hoofdbouwmassa moeten zijn voorzien van een dak met helling.

Uit voorgaande volgt dat de oppervlakte van het uitstekende deel aan de achterzijde van de woning buiten beschouwing blijft bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2011

17-604.