Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201103465/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkrundvee- en varkensbedrijf op het perceel [locatie] te Lutten. Dit besluit is op 23 februari 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103465/2/H4.

Datum uitspraak: 17 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Lutten, gemeente Hardenberg, en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkrundvee- en varkensbedrijf op het perceel [locatie] te Lutten. Dit besluit is op 23 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juni 2011, waar [verzoeker] en anderen, van wie [2 verzoekers] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers, A. van der Zwan-Wenneker en A.J. Schuurman, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting sluit de voorzitter geenszins uit dat het beroep van [verzoeker] en anderen in de bodemprocedure niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat [verzoeker] en anderen zienswijzen hebben ingebracht tegen het ontwerpbesluit. Aangezien dit niet geheel zeker is, ziet de voorzitter evenwel voldoende aanleiding om in het hierna volgende inhoudelijk op het verzoek om voorlopige voorziening in te gaan.

2.3. [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd dat zij vrezen voor geurhinder vanwege de inrichting en voor de uitstoot van fijnstof.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het kader van het bestreden besluit onderzoek is gedaan naar geurhinder en de uitstoot van fijnstof. Volgens het college treedt er geen onaanvaardbare geurhinder op en heeft het in werking zijn van de inrichting geen onaanvaardbare gevolgen voor de luchtkwaliteit. Volgens het college staan deze aspecten niet aan vergunningverlening in de weg.

De voorzitter ziet gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen.

2.4. Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] en anderen dat hun woningen in waarde zullen dalen en dat in de omgeving van de inrichting een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, merkt de voorzitter op dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op belangen die de Wet milieubeheer beoogt te beschermen.

2.5. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2011

195-651.