Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201008981/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college vastgesteld dat op de locatie Westdam 32 te Sas van Gent sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 11 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/49 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008981/1/M2.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sas van Gent, gemeente Terneuzen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college vastgesteld dat op de locatie Westdam 32 te Sas van Gent sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 11 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant], het college en het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. M.H.J.W. Dijkman, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. van der Wijst en ing. J.M. Olijslager, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge het vierde lid kunnen gedeputeerde staten, indien zij vaststellen dat geen sprake is van risico's als bedoeld in het eerste lid, bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht worden genomen.

Spoedeisendheid van de sanering

2.2. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat spoedige sanering van de verontreiniging niet noodzakelijk is. Hij voert in dit verband aan dat sanering volgens stap 2 van paragraaf 5.1 van de Circulaire bodemsanering 2009 (hierna: de Circulaire) spoedeisend is. Volgens [appellant] past het niet om dan stap 3 uit te voeren om tot een andere vaststelling met betrekking tot de spoedeisendheid te komen. Het college heeft stap 3 in ieder geval niet op juiste wijze uitgevoerd, aldus [appellant]. Volgens hem ziet de risicobeoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet op alle relevante blootstellingsroutes. Hij voert verder aan dat bij de risicobeoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van kleine kinderen op het perceel van de woning [locatie 1], de toekomstige concentraties van verontreinigende stoffen op dit perceel zijn onderschat, er ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een zaklaag en de risicobeoordeling ook anderszins op aannames en gegevens berust waarvan de juistheid onvoldoende vaststaat.

2.2.1. Het college heeft de spoedeisendheid van sanering beoordeeld aan de hand van de Circulaire. De Circulaire schrijft een werkwijze in stappen voor om te bepalen of een geval van ernstige verontreiniging spoedig moet worden gesaneerd. Volgens stap 1 wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Volgens stap 2 wordt een standaard risicobeoordeling uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van onaanvaardbare risico's. Volgens stap 3 kan een locatiespecifieke risicobeoordeling worden uitgevoerd indien uit stap 2 volgt dat sprake is van onaanvaardbare risico's, maar aanleiding bestaat om te verwachten dat een meer specifieke risicobeoordeling voor het betreffende geval van ernstige verontreiniging tot een andere conclusie leidt. Volgens paragraaf 5.1 van de Circulaire dienen stap 1 en 2 altijd te worden uitgevoerd en kan stap 3 worden uitgevoerd indien de initiatiefnemer of het bevoegd gezag dit wenselijk acht. Als stap 3 is uitgevoerd dient het bevoegd gezag de conclusie omtrent spoed te baseren op de resultaten van stap 3.

Uit het voorgaande volgt dat, anders dan [appellant] meent, het college stap 3 van paragraaf 5.1 van de Circulaire mocht uitvoeren.

2.2.2. Gebleken is dat de meest recente risicobeoordeling ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een risicobeoordeling van 1 juli 2010 was. Het moet ervoor worden gehouden dat deze risicobeoordeling ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Bij de risicobeoordeling van 1 juli 2010 zijn blijkens het deskundigenbericht alle relevante blootstellingsroutes meegenomen. Het betoog van [appellant] dat de risicobeoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet op alle relevante blootstellingsroutes ziet, faalt derhalve.

2.2.3. Blijkens het deskundigenbericht is bij de risicobeoordeling van 1 juli 2010 rekening gehouden met de aanwezigheid van kleine kinderen op het perceel van de woning [locatie 1]. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft geen aanleiding om te oordelen dat dit in onvoldoende mate is gebeurd. In het deskundigenbericht is verder opgemerkt dat het college de toekomstige concentraties van verontreinigende stoffen op het perceel van de woning [locatie 1] niet heeft onderschat. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding om in zoverre te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht. Over de aanwezigheid van een zaklaag is in het deskundigenbericht opgemerkt dat dit niet waarschijnlijk is, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat een MIP-sondering - volgens het deskundigenbericht uitermate geschikt om een eventuele zaklaag vast te stellen - geen zaklaag heeft kunnen vaststellen. De Afdeling ziet geen aanleiding om in zoverre te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht. Onder deze omstandigheden bestond er voor het college geen reden om van de aanwezigheid van een zaklaag uit te gaan.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot de aanwezigheid van kleine kinderen op het perceel van de woning [locatie 1], het onderschatten door het college van de toekomstige concentraties van verontreinigende stoffen op dit perceel en de aanwezigheid van een zaklaag geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat spoedige sanering niet noodzakelijk is.

2.2.4. De aannames en gegevens waarop de risicobeoordeling van 1 juli 2010 berust zijn volgens het deskundigenbericht op één onderdeel niet representatief. Volgens het deskundigenbericht zijn de bij de risicobeoordeling van 1 juli 2010 gebruikte binnenluchtmetingen in de woning [locatie 1] niet representatief, nu deze metingen alleen in de kelder zijn uitgevoerd. Volgens het deskundigenbericht hadden de metingen uitgevoerd moeten worden op de locatie waar een reëel humaan risico te verwachten is, te weten de woonkamer. In reactie hierop heeft het college op 7 april 2011 een nieuwe locatiespecifieke risicobeoordeling uitgevoerd op basis van nieuwe binnenluchtmetingen, waarbij mede in de woonkamer van de woning [locatie 1] is gemeten. Deze risicobeoordeling leidt wederom tot de uitkomst dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de risicobeoordeling van 7 april 2011. Gelet hierop geeft hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt met betrekking tot de binnenluchtmetingen in de woning [locatie 1] geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat spoedige sanering niet noodzakelijk is.

2.2.5. Deze beroepsgrond faalt.

Monitoringsmaatregelen

2.3. [appellant] voert aan dat de bij het bestreden besluit vastgestelde monitoringsmaatregelen ontoereikend zijn om verspreiding van de verontreiniging en daarmee verband houdende risico's tijdig te signaleren. Ook het deskundigenbericht komt tot deze conclusie, aldus [appellant].

2.3.1. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat de in het bestreden besluit genoemde peilbuizen, indien deze regelmatig worden bemonsterd, een goed beeld van de verontreinigingssituatie geven. Het bestreden besluit voorziet volgens het deskundigenbericht echter in een te beperkte periode en frequentie van bemonstering. Dit geldt volgens het deskundigenbericht ook voor de binnenluchtmetingen. De binnenluchtmetingen in de woning [locatie 1] zouden volgens het deskundigenbericht bovendien niet in de kelder moeten plaatsvinden.

2.3.2. Het college heeft bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming twee monitoringsmaatregelen vastgesteld. In 2014 en 2016 moet een aantal in het bestreden besluit genoemde peilbuizen worden bemonsterd op gechloreerde koolwaterstoffen, waaronder vinylchloride. De resultaten van deze bemonstering moeten worden geanalyseerd om inzicht te krijgen in de mate van natuurlijke afbraak en verspreiding van de verontreiniging. Verder moeten er in 2011, 2014 en 2016 binnenluchtmetingen worden uitgevoerd in de panden [locatie 1, 2 en 3]. De analyseresultaten moeten op grond van het bestreden besluit binnen een maand na uitvoering aan het college worden toegezonden, waarna in overleg het vervolg kan worden bepaald.

2.3.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de Circulaire de keuze voor het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming en de invulling daarvan aan het bevoegd gezag laat. Uit onderzoeken naar de verontreiniging in 1988, 1995, 2007 en 2008 blijkt volgens het college dat de mate van verspreiding van de verontreiniging in de afgelopen 20 jaar gering is geweest. Gelet hierop bestaat volgens het college aanleiding om aan te nemen dat er een stabiele situatie aan het ontstaan is. De in het bestreden besluit vastgestelde monitoringsmaatregelen zijn bedoeld om in zoverre een grotere mate van zekerheid te verkrijgen. Gelet op hetgeen reeds bekend is over de verontreiniging en de verspreiding daarvan, acht het college de in het bestreden besluit vastgestelde periode en frequentie van monitoring toereikend. Indien uit de resultaten van de monitoring niet blijkt dat een stabiele eindsituatie is ontstaan, kan worden bezien of nadere maatregelen nodig zijn. Ter zitting heeft het college in dit verband opgemerkt dat bij het in het bestreden besluit bedoelde overleg naar aanleiding van de resultaten van de monitoring de bewoners van de panden [locatie 1, 2 en 3] zullen worden betrokken.

2.3.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich op grond van het vorenstaande niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestreden besluit vastgestelde periode en frequentie van monitoring toereikend is. Wat de binnenluchtmetingen in de woning [locatie 1] betreft, overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit niet voorschrijft waar in deze woning moet worden gemeten. Het bestreden besluit laat de ruimte om dit te doen in de woonkamer. Blijkens de risicobeoordeling van 7 april 2011 gebeurt dit intussen ook. De Afdeling gaat ervan uit dat het college ook bij de binnenluchtmetingen in 2014 en 2016 mede zal meten in de woonkamer van de woning [locatie 1]. Er bestaat ook in zoverre geen aanleiding om te oordelen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde monitoringsmaatregelen toereikend zijn.

2.3.5. Deze beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

462.