Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201011362/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6459
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college aan de Stichting De Hartekamp Groep (hierna: de stichting De Hartekamp) tijdelijk vrijstelling voor de duur van vijf jaar en tijdelijk bouwvergunning verleend met een instandhoudingtermijn van vijf jaar voor het bouwen van tijdelijke huisvesting voor 142 cliënten op het perceel Herenweg 5, locatie Noordkop, te Heemstede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011362/1/H1.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Bescherming Erfgoed Zuid-Kennemerland, [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: de stichting SBEZK), onderscheidenlijk gevestigd te Bennebroek en wonend te Heemstede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010 in zaak nr. 09/4689 in het geding tussen:

onder meer appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college aan de Stichting De Hartekamp Groep (hierna: de stichting De Hartekamp) tijdelijk vrijstelling voor de duur van vijf jaar en tijdelijk bouwvergunning verleend met een instandhoudingtermijn van vijf jaar voor het bouwen van tijdelijke huisvesting voor 142 cliënten op het perceel Herenweg 5, locatie Noordkop, te Heemstede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college het onder meer door de stichting SBEZK daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het onder meer door de stichting SBEZK daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting SBEZK bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting De Hartekamp een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2011, waar de stichting SBEZK, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.E. Hopman en mr. M. Jansen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de stichting De Hartekamp, vertegenwoordigd door mr. J.J. van Nuland, J.F.T. Quick en J.E. Bouwer, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landgoederen en groene gebieden" rust op het perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" met de subbestemming "zorginstelling (tijdelijke bestemming)".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de subbestemming "zorginstelling (tijdelijke bestemming)" bestemd voor een zorginstelling met dien verstande dat deze gronden na het verstrijken van acht jaren na de vaststelling van het plan zijn aangewezen voor bos.

Ingevolge het tweede lid, onder a, aanhef, sub 3, voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van gebouwen dat de goot- en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de maxima in meters die op de plankaart in relatie tot het bouwschema zijn aangegeven. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen 6 m.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.2. Het bouwplan voorziet in de realisering van vier gebouwen op het perceel door middel van het plaatsen van standaard bouwunits. Twee beoogde bouwunits bestaan uit één bouwlaag met een hoogte van 3,26 m en de andere twee bouwunits bestaan uit twee bouwlagen met een hoogte van 6,68 m. Het bouwplan is in strijd met artikel 8, tweede lid, onder a, aanhef, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover het de hoogte van 6 m overschrijdt. Om medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft het college krachtens artikel 17, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend voor de duur van vijf jaar.

2.3. De stichting SBEZK betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vereiste tijdelijkheid van het bouwplan onvoldoende door concrete, objectieve gegevens is gewaarborgd. Daartoe stelt zij dat slechts een voorlopige planning is opgesteld en dat het bouwplan voorziet in permanente bebouwing.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2009 in zaak nr. 200802167/1), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor een maximaal aantal jaren is verleend, op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Om het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, niet mogelijk.

2.3.2. Het college heeft in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 december 2008 toegelicht dat de beoogde bebouwing dient als tijdelijke huisvesting voor de cliënten van de stichting De Hartekamp tot de nieuwbouw van de stichting is gerealiseerd. Volgens het besluit voldoen de huidige in gebruik zijnde gebouwen op het perceel van de stichting niet aan de gebouwkwaliteit voor de doelgroep van de stichting en is ter verbetering van deze situatie een plan ontwikkeld dat onder meer bestaat uit de tijdelijke huisvesting voor 142 cliënten, tijdelijke huisvesting buiten het terrein in de regio en definitieve nieuwbouw voor 229 cliënten. De nieuwbouw is voorzien op het middenterrein van het perceel en past volgens het college in het bestemmingsplan. De beoogde tijdelijke bebouwing is voorzien binnen de tijdelijke bestemming "zorginstelling". Voorts blijkt uit het besluit dat de nieuwbouw volgens de planning medio 2013 gereed is en dat voor de ontruiming van de huidige in gebruik zijnde bebouwing een planning is opgesteld waarbij de realisering van de tijdelijke huisvesting op het terrein omstreeks september 2009 is beoogd. Ter zitting heeft de stichting De Hartekamp toegelicht dat de huisvesting die buiten het terrein is voorzien, wordt gerealiseerd in Beverwijk, Haarlem en Hillegom, waarbij de locatie in Beverwijk reeds in aanbouw is. Voorts heeft zij toegelicht dat met het slopen - dat is beoogd in 2012 - ten behoeve van de nieuwbouw op het perceel kan worden gestart als de cliënten elders zijn gehuisvest. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de planning voor de nieuwbouw niet realistisch is. Vast staat voorts dat de beoogde onderhavige tijdelijke huisvesting na realisering van de definitieve nieuwbouw niet meer benodigd is voor de huisvesting van de cliënten van de stichting De Hartekamp. Ook overigens heeft de stichting De Hartekamp ter zitting toegelicht dat de financiering van de tijdelijke bebouwing is gekoppeld aan de tijdelijke gebruiksduur daarvan. Gelet op de tijdelijke bestemming van het perceel zoals verwoord in artikel 8 van de planvoorschriften, de omstandigheid dat de beoogde nieuwbouw in de bestemming past en in aanmerking genomen dat de planning voor de nieuwbouw een reëel beeld geeft, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren op grond waarvan kon worden aangenomen dat het bouwplan niet langer dan vijf jaren in stand blijft. Het door de stichting SBEZK aangevoerde doet niet aan deze conclusie af. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de stichting SBEZK betoogt, geen grond aanwezig is voor het oordeel dat de planning voor de instandhouding en de verwijdering van het beoogde bouwplan niet realistisch is, nu ten tijde van het instellen van het hoger beroep reeds twee jaren na vergunningverlening zijn verstreken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2002 in zaak nr. 200203595/1; AB 2003/112), vangt de in artikel 17 van de WRO bedoelde vijfjarentermijn aan op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. Nu de bouw omstreeks april 2011 een aanvang heeft genomen, eindigt de vijfjarentermijn omstreeks april 2016. Ook het betoog van de stichting SBEZK dat het bouwplan voorziet in permanente bebouwing doordat de gebruikelijke lichte bouwwijze ontbreekt en doordat heiwerkzaamheden zijn beoogd, doet aan deze conclusie niet af. Het college heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat de heiwerkzaamheden benodigd zijn vanwege de ondergrond van het perceel en dat deze werkzaamheden zijn afgestemd op de tijdelijkheid van het bouwplan, waarbij het heeft verwezen naar de brief van 20 maart 2009 van ingenieursbureau Inpijn-Blokpoel Sliedrecht B.V., waaruit blijkt dat de paalfundering na de gebruiksperiode van de bouwunits verwijderd kan worden. De door de stichting SBEZK overgelegde brief van Architectenbureau Prent van 5 november 2009, waarin staat dat de voor tijdelijke bouwwerken gebruikelijke lichte bouwwijze ontbreekt, maakt dat niet anders. Voorts kan in de omstandigheid dat geen ontruimingsplan dan wel handhavingsplan is opgesteld, geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van permanente bebouwing, nu dergelijke plannen geen informatie over de aard van de bebouwing verstrekken. Daar waar de stichting SBEZK stelt dat het college niet (afdoende) optreedt tegen de reeds aanwezige illegale bebouwing op het perceel, wordt overwogen dat die omstandigheid, wat daar ook van zij, geen rol speelt in de onderhavige situatie en dat de stichting een handhavingsverzoek bij het college kan indienen waartegen bezwaar en beroep open staat.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt de stichting SBEZK dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe voert zij aan dat meer cliënten worden gehuisvest dan met het bestemmingsplan is beoogd en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan reeds met het bouwplan rekening is gehouden. Voorts stelt zij dat realisering van het bouwplan, met het bijbehorende verkeer alsmede de benodigde extra ontsluiting, schade aan de omgeving zal toebrengen.

2.4.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.4.2. Vast staat dat het bestemmingsplan op het perceel gebouwen met een hoogte tot 6 m toestaat en dat met het bouwplan deze hoogte bij twee bouwunits wordt overschreden met 0,68 m. Voor de beoordeling of het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen, is niet van belang of bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening is gehouden met het bouwplan dan wel het aantal cliënten dat op het perceel gehuisvest wordt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van belang is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het een tijdelijke vrijstelling kon verlenen voor een overschrijding van de maximale bouwhoogte met 0,68 m voor twee bouwunits. Anders dan de stichting SEBZK betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet maakt dat een grotere verkeersaantrekkende werking van het bouwplan uitgaat, noch dat daardoor invloed op de omgeving, waaronder de historische tuin- en slingermuur, zal worden uitgeoefend. Voorts zijn om die reden evenmin een extra ontsluiting en een lichtplan benodigd. Verder is geen grond aanwezig voor het oordeel dat, zoals de stichting SEBZK heeft betoogd, door de heiwerkzaamheden schade zal worden toegebracht aan de in de nabijheid van het perceel gelegen historische tuin- en slingermuur. Het college heeft advies ingewonnen bij voornoemd ingenieursbureau Inpijn-Blokpoel, volgens welk advies de kans op trillingen in de nabijheid van de muur nihil is. Gesteld noch gebleken is dat het onderzoek niet deugdelijk is verricht en het college hiervan niet mocht uitgaan. Het college heeft na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid groter gewicht kunnen toekennen aan het financiële belang van de stichting De Hartekamp bij het gebruik van standaard bouwunits dan aan de belangen van de stichting SEBZK. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

414-672.