Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
201010410/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 5 maart 2009 heeft het college [appellante] verzocht een passende kandidaat/kandidaten voor te dragen voor een huisvestingsvergunning voor de huur van het pand [locatie] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010410/1/H3.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2010 in zaak nr. 09/2205 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Op 5 maart 2009 heeft het college [appellante] verzocht een passende kandidaat/kandidaten voor te dragen voor een huisvestingsvergunning voor de huur van het pand [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 november 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2011, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.J. Schwartzman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder a, wordt het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de uitspraak vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

2.2. [appellante] komt in hoger beroep uitsluitend op tegen de overweging van de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire regeling voor vergoeding van rechtsbijstandskosten en de vaststelling van die kosten door de rechtbank op € 1.092,50. Het college heeft volgens [appellante] in dit geval dermate onzorgvuldig gehandeld, dat vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten voor de hand ligt.

2.2.1. Het in de bijlage bij het Besluit neergelegde vergoedingsstelsel, waaraan bij de aangevallen uitspraak toepassing is gegeven, heeft een forfaitair karakter. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van het artikel 2, derde lid, van het Besluit van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Het feit dat het college, naar in beroep is vastgesteld ten onrechte, het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, is grond voor een kostenveroordeling overeenkomstig het reguliere in het Besluit neergelegde stelsel, doch op zichzelf geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Dat het college bij het nemen van het besluit bewust onzorgvuldig heeft gehandeld, is niet aannemelijk gemaakt. [appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de handelwijze en besluitvorming van het college haar dwongen tot het inroepen van rechtshulp waar een uitzonderlijke tijdsbesteding mee was gemoeid.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

290.