Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200909122/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Oostzaan het bestemmingsplan "Kom" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/153 met annotatie van P.M.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909122/1/R1.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Oostzaan onderscheidenlijk Landsmeer,

2. de erven [appellant sub 2], wonend te Oostzaan, Landsmeer, Amsterdam onderscheidenlijk Gainesville, U.S.A.,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Oostzaan het bestemmingsplan "Kom" vastgesteld.

Het college heeft bij brief van 7 oktober 2009 aan de raad meegedeeld dat het plan van rechtswege is goedgekeurd.

Tegen het besluit van rechtswege hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, en de erven [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], het college en [belanghebbende] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het hoger beroep in zaak nr. 201007371/1/H1 behandeld op 3 mei 2011, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. E.S. Grimminck, advocaat te Haarlem, de erven [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal, werkzaam bij de provincie, en de raad, vertegenwoordigd door F.B. Dull, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, en R.F. Kamerbeek en I. Hazeleger, beiden deskundige aan de zijde van het college.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellant sub 1B] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tijdig tegen het ontwerpplan een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht en tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover ingediend door [appellant sub 1B], is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.3. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bebouwde kern van Oostzaan, met uitzondering van het centrumgebied, en wordt begrensd door de Kolkweg, het recreatiegebied "Het Twiske" en de A8. Het plan is in grote lijnen conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1A]

2.4. [appellant sub 1A] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengd" wat betreft de gronden aan de Kerkbuurt 28-32.

2.5. [appellant sub 1A] voert ten eerste aan dat zowel de raad als het college onbehoorlijk hebben gehandeld. De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd de ingediende zienswijzen weerlegd. Doordat het college niet tijdig het besluit heeft genomen zijn de ingebrachte bedenkingen ten onrechte niet behandeld, aldus [appellant sub 1A].

2.5.1. Geen wettelijk voorschrift verzet zich er tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Over het betoog van [appellant sub 1A] dat de goedkeuring van het plan van rechtswege ertoe leidt dat niet zorgvuldig en gemotiveerd op de bedenkingen is besloten, wordt overwogen dat de wet zelf de gevolgen regelt die zijn verbonden aan de overschrijding door het college van de termijn om een besluit aan de raad toe te zenden. In dit geval is dat gevolg de goedkeuring van rechtswege van het plan. Het ontbreken van een inhoudelijke toetsing van de bedenkingen van [appellant sub 1A] door het college is een rechtstreeks gevolg van deze wettelijke regeling. Het betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van de bestreden goedkeuring van rechtswege.

Deze beroepsgronden falen derhalve.

2.6. [appellant sub 1A] betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de economische gevolgen van het uitbreiden van het winkelaanbod voor de Kerkbuurt. Volgens [appellant sub 1A] is er reeds een overschot aan winkels.

2.6.1. Wat betreft het betoog van de raad dat deze beroepsgrond niet steunt op bij het college ingebrachte bedenkingen, overweegt de Afdeling dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel er aan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de bestemmingsplanprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding deze beroepsgrond buiten beschouwing te laten.

2.6.2. [appellant sub 1A] exploiteert een importbedrijf annex groothandel in etalagematerialen en confectiebenodigdheden aan de [locatie 1] en is tevens ter plaatse woonachtig. Aan de gronden aan de Kerkbuurt 28-32 is in het plan de bestemming "Gemengd" toegekend. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor kantoren, maatschappelijke voorzieningen, detailhandel, dienstverlening, bedrijven behorende tot ten hoogste categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en horecabedrijven behorende tot ten hoogste categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, alsmede voor wonen.

Op een deel van de gronden is een bouwvlak opgenomen. Ingevolge het vierde lid, onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

2.6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3 en 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse en geregelde inkopen kunnen doen.

2.6.4. In hoofdstuk 7 van de plantoelichting is vermeld dat de economische uitvoerbaarheid niet behoeft te worden aangetoond. Er is derhalve geen distributieplanologisch onderzoek uitgevoerd. Gezien de omvang van het huidige winkelaanbod in Oostzaan en omgeving, en in aanmerking genomen de geringe oppervlakte die het in geding zijnde plandeel ter hoogte van het toegekende bouwvlak in aanvulling daarop mogelijk maakt, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat deze toevoeging zal leiden tot het verdwijnen van een zo groot deel van het bestaande winkelaanbod in de directe omgeving dat voor een relevant gedeelte van de inwoners van het verzorgingsgebied wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijkse en geregelde inkopen.

Het bezwaar omtrent het ontbreken van een onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plandeel met de bestemming "Gemengd" wat betreft de gronden aan de Kerkbuurt 28-32 behoeft derhalve niet tot vernietiging van het besluit tot goedkeuring van rechtswege te leiden. Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 1A] betoogt dat in de huidige situatie sprake is van parkeeroverlast aan de Kerkbuurt en de daarop ontsluitende wegen en dat het plan op dit punt deze situatie verergert. De raad heeft zich wat betreft de parkeerbehoefte gebaseerd op een verouderd verkeersrapport van Grontmij Noord-Holland van 27 juni 2001, aldus [appellant sub 1A]. Volgens hem had de raad een nieuw parkeeronderzoek moeten (laten) uitvoeren.

2.7.1. In 2001 heeft Grontmij Noord-Holland in opdracht van het gemeentebestuur in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan "Centrum" onderzoek gedaan naar de verkeersstromen en de parkeermogelijkheden en -behoeften. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Centrumplan Oostzaan, verkeerskundige consequenties" van 27 juni 2001. In het onderzoek is volgens de deskundige geconstateerd dat er een tekort aan parkeerplaatsen is, maar dat het tekort kennelijk niet tot grote problemen leidt door het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Bij het opstellen van het plan is geen nieuw parkeeronderzoek verricht.

In het bestemmingsplan heeft de raad ten aanzien van de parkeerplaatsen het bouwplan als uitgangspunt genomen. De raad heeft zich wat betreft de benodigde parkeerplaatsen voor de beoogde 13 appartementen gebaseerd op de CROW-normen, te weten 1 parkeerplaats voor appartementen kleiner dan 100 m² en 1,4 parkeerplaatsen voor appartementen groter dan 100 m², zodat voor de beoogde 13 appartementen 16 parkeerplaatsen benodigd zullen zijn. De raad verwacht dat de voorziene winkels 12 extra vervoersbewegingen per dag genereren, hetgeen overeen komt met 6 auto’s per dag. In het bouwplan is voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein ten behoeve van de dertien appartementen die in het bouwplan zijn opgenomen. De raad verwacht dat in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid voorhanden is om in de parkeerbehoefte van de voorziene winkels te voorzien.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de raad, door zich bij de vaststelling van het plan enkel te baseren op het parkeeronderzoek uit 2001, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de parkeervoorzieningen ter plaatse. Daarbij wordt overwogen dat volgens het deskundigenbericht het berekende aantal van 6 parkeerplaatsen voor de beoogde winkels aan de lage kant is en op basis van de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek minimaal 12 en maximaal 21 parkeerplaatsen nodig zijn.

2.8. Voorts stelt [appellant sub 1A] zich op het standpunt dat ten onrechte geen onderzoek naar de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden.

2.8.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Tevens zijn op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 in werking getreden. Bij de Wet van 11 oktober 2007 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Ingevolge artikel V, voor zover thans aan de orde, van deze wet zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) vastgesteld besluit. Het plan is vastgesteld na 15 november 2007 en derhalve is titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving van toepassing.

2.8.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:

1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

2.8.3. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: het NSL) dat is vastgesteld op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in werking is getreden. De ontwikkeling die het in geding zijnde plandeel mogelijk maakt wordt hierin niet genoemd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), draagt met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

2.8.4. In het kader van het ingediende bouwplan voor de in geding zijnde gronden heeft BK Ruimte en Milieu bv (hierna: BK) een luchtkwaliteit-onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitonderzoek Kerkbuurt 28-32 te Oostzaan" van 10 augustus 2007. De conclusie in dit rapport is dat geen grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes worden overschreden als bedoeld in het Blk 2005.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat in het kader van het bestemmingsplan geen (aanvullend) onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit, ondanks de omstandigheid dat per 15 november 2007 het Blk 2005 is vervangen door titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De raad heeft zijn standpunt over de gevolgen voor de luchtkwaliteit ten onrechte niet gebaseerd op luchtkwaliteitonderzoek waarbij is uitgegaan van de toepasselijkheid van voormelde titel 5.2.

2.9. [appellant sub 1A] stelt voorts dat in de plantoelichting een paragraaf omtrent de waterhuishouding ontbreekt.

2.9.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985- voor zover hier van belang - gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

2.9.2. In de plantoelichting is paragraaf 5 gewijd aan de wijze waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het betoog van [appellant sub 1A] mist derhalve feitelijke grondslag.

2.10. [appellant sub 1A] betoogt dat de bebouwing die het plan op dit punt mogelijk maakt niet past binnen de huidige lintbebouwing van de Kerkbuurt.

2.10.1. Gelet op artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften bezien in samenhang met de plankaart mag de bouwhoogte nabij de gronden van

[appellant sub 1A] aan de zijde van de Kerkbuurt niet meer bedragen dan 7 en aan de achterzijde niet meer dan 4 meter. Op de gronden ten oosten daarvan is een maximale bouwhoogte van 12 meter toegestaan. De raad heeft met de planregeling op dit punt beoogd een naar het Hannie Schaftplein toe opbouwende massa mogelijk te maken, waarbij het lint over gaat in een pleinwand. Niet aannemelijk is geworden dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan het bestaande karakter van de buurt. Hierbij betrekt de Afdeling dat de gronden in het centrum van Oostzaan zijn gelegen.

2.11. [appellant sub 1A] voert aan dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast.

In dit verband wijst hij in het bijzonder op verminderde lichtinval en uitzicht, aantasting van de privacy en geluidsoverlast. De raad heeft de verslechtering van de bezonningssituatie onvoldoende onderkend en ten onrechte geen bezonningsonderzoek uitgevoerd, aldus [appellant sub 1A].

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bezonningsonderzoek van 23 april 2009 aantoont dat geen sprake is van een onaanvaardbare achteruitgang voor de bezonning van het perceel van [appellant sub 1A]. De raad spreekt evenwel niet tegen dat door het parkeren op de binnenplaats een minder rustige situatie zal ontstaan dan nu het geval is. De raad verwijst hier naar de mogelijkheid van een schadeclaim.

2.11.2. In tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 1A] stelt, is onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de voorziene bebouwing ter plaatse van de Kerkbuurt 28-32 op de bezonning van het perceel van [appellant sub 1A] aan de [locatie 1]. In zoverre mist zijn betoog feitelijke grondslag. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "13 appartementen Oostzaan - Bezonningsonderzoek" van DGMR Bouw B.V. van 23 april 2009 (hierna: het bezonningsrapport). De conclusie van dit bezonningsrapport is dat in de zomer de bezonning van de [locatie 1] niet verandert. De bezonning van de zijgevel van de woning aan de [locatie 1] verandert alleen bij lage zonnestand in het voorjaar, de herfst en in de winterperiode. De bezonning van de voorgevel verandert alleen in de winterperiode. [appellant sub 1A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport zodanige gebreken bevat dat hiervan niet mag worden uitgegaan.

Niet in geschil is dat de privacy alsmede het uitzicht van [appellant sub 1A] zullen verminderen en dat enige geluidhinder zal optreden ten gevolge van het plan op dit punt. Niet aannemelijk is echter geworden dat deze vermindering onderscheidenlijk hinder zo ernstig is dat hieraan een zwaar gewicht had moeten worden toegekend. Hierbij betrekt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 1A] in het centrum van Oostzaan staat.

2.12. Ten slotte betoogt [appellant sub 1A] dat de voorziene bebouwing aan de Kerkbuurt 28-32 het zicht op zijn winkelruimte ontneemt en de toegang versmalt, hetgeen onevenredig financieel nadeel zal opleveren voor hem.

2.12.1. Gelet op de situering van de voorziene bebouwing kan niet worden staande gehouden dat verwezenlijking van het plan op dit punt er toe leidt dat de winkel van [appellant sub 1A] aan het zicht zal worden onttrokken of dat de toegang tot zijn winkel versmalt. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 1A] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat hieraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn.

2.13. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.7.2 en 2.8.4 is de Afdeling van oordeel dat de goedkeuring van rechtswege wat het plandeel met de bestemming "Gemengd" toegekend aan het perceel Kerkbuurt 28-32 betreft moet worden geacht tot stand te zijn gekomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep voor zover ingediend door [appellant sub 1A] is gegrond. Het besluit dient dan ook in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

2.14. Na de goedkeuring van rechtswege heeft Grontmij Nederland onderzoek naar de benodigde parkeervoorzieningen uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Centrumplannen Oostzaan, het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen naar functie" van 4 februari 2010. Het onderzoeksgebied is het centrum van Oostzaan en omvat ook delen van het plangebied. De ontwikkeling op de in geding zijnde gronden is bij het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt uitgegaan van het heringerichte Hannie Schaftplein en van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. De conclusie van het onderzoek is dat er voldoende parkeerplaatsen in het centrumgebied aanwezig zijn. [appellant sub 1A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad hiervan niet zou mogen uitgaan. Voorts is ter zitting gebleken dat het Hannie Schaftplein recent geheel is heringericht, waardoor het aantal parkeerplaatsen aanzienlijk is toegenomen en dat bij besluit van 8 maart 2011 een parkeerduurbeperking via het instellen van een zogenaamde 'blauwe zone' op het Hannie Schaftplein is vastgesteld.

Na de goedkeuring van rechtswege heeft BK alsnog een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. De resultaten zijn neergelegd in het "Rapport luchtkwaliteit Bestemmingsplan Kom te Oostzaan" van 24 september 2010. In het rapport is de luchtkwaliteit onderzocht van zeven locaties waar ontwikkelingen mogelijk zijn. Het voorziene plandeel is in dit rapport niet als ontwikkelingslocatie aangemerkt, aangezien hiervoor reeds een procedure op grond van artikel 19 van de WRO is doorlopen. De conclusie uit dit rapport is dat de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes ter hoogte van de voorziene ontwikkelingen niet worden overschreden. Volgens het deskundigenrapport is ten onrechte gerekend met een afstand tot de wegrand van 10 meter, terwijl gevels van woningen aanwezig zijn binnen 10 meter van de wegrand. Verder wordt volgens het deskundigenbericht de maximale bijdrage van het plandeel opgeteld bij de concentraties van de andere zeven ontwikkellocaties, in plaats van de gevolgen van de verkeerstoenames van alle acht de ontwikkelingen tezamen door te rekenen voor het hele plangebied en niet alleen voor de locaties waar de nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden.

Naar aanleiding hiervan heeft BK opnieuw onderzoek verricht. In dit onderzoek zijn de acht ontwikkelingen tezamen doorgerekend. Tevens is de afstand tot de wegrand doorgerekend naar 4 meter, daar er woningen binnen 5 meter tot de rand van de doorgaande weg zijn gesitueerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Aanvulling op luchtkwaliteitonderzoek 2010, bestemmingsplan Kom te Oostzaan" van 8 februari 2011. De conclusie uit dit rapport is dat zowel voor zwevende deeltjes als voor stikstofdioxide de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet worden overschreden. [appellant sub 1A] heeft niet aangevoerd dat dit rapport gebreken bevat, noch aannemelijk gemaakt dat de hierin neergelegde conclusies onjuist zijn.

2.15. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het voor vernietiging in aanmerking komt geheel in stand te laten.

Het beroep van de erven [appellant sub 2]

2.16. De erven [appellant sub 2] kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Tuin" en "Wonen - Vrijstaand" wat betreft hun gronden aan [locatie 2] te Oostzaan. Zij voeren aan dat deze bestemming geen recht doet aan de bestaande situatie en aan de aanwezige bebouwing op hun perceel.

Tevens stellen de erven [appellant sub 2] dat ten onrechte de aanduiding 'wijzigingsgebied I' die aan het naastgelegen terrein van [appellant sub 2] (hierna: het bedrijf [appellant sub 2]) is toegekend, niet eveneens is toegekend aan hun gronden. De erven [appellant sub 2] betogen dat door een dergelijke wijzigingsbevoegdheid op te nemen hun voornemens om de bestaande bebouwing op hun perceel te amoveren en op het perceel woningbouw te realiseren zouden kunnen worden verwezenlijkt.

Voorts betogen de erven [appellant sub 2] dat, nu hun gronden aan het [locatie 2] niet direct aan de openbare weg zijn gelegen en worden ontsloten via het terrein van het bedrijf [appellant sub 2], met het opnemen in het plan van een wijzigingsbevoegdheid ter zake van dat bedrijfsterrein ontsluiting van hun gronden onvoldoende is gegarandeerd.

2.16.1. De raad stelt in de reactie op de zienswijze dat de gronden van de erven [appellant sub 2] niet behoren tot de bedrijfslocatie. Verder stelt de raad dat slechts aanleiding bestaat tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid op basis van een concreet plan. Hierbij verwijst de raad naar de toegepaste bestemmingsmethodiek. In grote lijnen komt dit er op neer dat de raad aan ontwikkelingen die voldoende concreet zijn in het plan een directe bestemming heeft toegekend (categorie A). Sommige ontwikkelingen zijn mogelijk gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid (categorie B).

2.16.2. Aan het westelijke deel van de gronden aan [locatie 2], ten westen van de voormalige bedrijfswoning, is in het plan de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede voor parkeren.

Ingevolge het derde lid geldt voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

a. op of in de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd met dien verstande dat:

b. de bergingen en entrees die ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds legaal aanwezig waren, worden geacht te passen binnen de bepalingen van dit plan;

(…)

Ingevolge het vierde lid geldt voor het bouwen van andere bouwwerken dat deze uitsluitend zijn toegestaan voor zover (en in het geval dat) de in artikel 43 van de Woningwet genoemde situaties dit toelaten.

Aan het oostelijke deel van de gronden, onder meer ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning, is de bestemming "Wonen - Vrijstaand" toegekend. Hierop is een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Wonen - Vrijstaand" aangewezen gronden - voor zover hier van belang - bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep (waaronder begrepen bed and breakfast), tuinen en erven. Ingevolge het derde lid, onder a, mag een hoofdgebouw uitsluitend in de vorm van een vrijstaande woning binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ingevolge het vierde lid, onder f, van de planvoorschriften mag het gezamenlijk grondoppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen niet meer bedragen dan 30% van het erf van het bijbehorende bouwperceel met een maximum van 40 m².

Aan de gronden van het bedrijf [appellant sub 2] is in het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding 'wijzigingsgebied I'.

Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijf"aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten, dienstwoningen, productiegebonden detailhandel en horeca ten dienste van de onder a. genoemde activiteiten en nutsvoorzieningen, zoals gemalen en trafohuisjes.

Ingevolge artikel 24 van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders op basis van artikel 11 van de WRO (thans: artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening), voor zover de gronden zijn gelegen binnen het op de plankaart aangewezen 'wijzigingsgebied I' bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen - Vrijstaand", "Wonen - Aaneengesloten", "Wonen - Twee aaneengesloten", "Wonen - Gestapeld", "Tuin", "Water", "Groen" en "Verkeer en verblijf".

2.16.3. Op de gronden aan [locatie 2] staat de voormalige bedrijfswoning van het bedrijf [appellant sub 2]. Verder staan op het perceel een garageblok, een schuur/hobbyruimte en een tuinhuisje.

Het gemeentebestuur heeft het voornemen om in overleg het bedrijf [appellant sub 2] naar een locatie buiten de kom te verplaatsen en op de vrijgekomen locatie woningbouw te realiseren.

2.16.4. Niet in geschil is dat voormelde bebouwing op het perceel [locatie 2] legaal is opgericht.

Een deel van het woonhuis valt buiten het toegekende bouwvlak. Voorts staan een deel van het garageblok met een oppervlakte van 42 m² en een tuinhuisje op de gronden met de bestemming "Wonen - Vrijstaand" en wordt daardoor de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen ingevolge artikel 17, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften overschreden. De regeling voor de gronden met de bestemming "Wonen - Vrijstaand" stemt naar het oordeel van de Afdeling derhalve wat betreft de bebouwing ten onrechte niet overeen met de werkelijke situatie. De raad heeft dit niet onderkend.

Op de gronden met de bestemming "Tuin" staan een schuur/hobbyruimte en het overige deel van het garageblok. Het bestemmingsplan staat ter plaatse aanwezige bergingen toe. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze bouwwerken op grond van de bestemming "Tuin" mogelijk.

2.16.5. De Afdeling overweegt voorts dat de plannen voor het perceel van de erven [appellant sub 2], anders dan de plannen voor het bedrijfsterrein, ten tijde van de vaststelling van het plan niet voldoende concreet waren, zodat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om voor de gronden van de erven [appellant sub 2] aan het [locatie 2] een wijzigingsbevoegdheid in het plan op te nemen.

2.16.6. Tussen partijen is niet in geschil dat ontsluiting van de gronden van de erven [appellant sub 2] op de openbare weg enkel mogelijk is via het terrein van het bedrijf [appellant sub 2]. De aan dat terrein toegekende bestemming "Bedrijf" maakt gebruik van het terrein voor die ontsluiting niet onmogelijk. Artikel 24 van de planvoorschriften verzet zich niet tegen een planologische regeling van de ontsluiting in het kader van de aanwending van de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van het bedrijfsterrein. Voorts heeft de raad ter zitting toegezegd dat de ontsluiting in een op te stellen wijzigingsplan voor de op het bedrijfsterrein te ontwikkelen woninglocatie geregeld zal worden. Het betoog van de erven [appellant sub 2] faalt in zoverre.

2.17. Gelet op overweging 2.16.4 is de conclusie dat hetgeen de erven [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de goedkeuring van rechtswege wat het plandeel met de bestemming "Wonen-Vrijstaand" voor het perceel [locatie 2] betreft moet worden geacht tot stand te zijn gekomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient dan ook in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het betreffende plandeel.

2.18. De conclusie is dat hetgeen de erven [appellant sub 2] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.19. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1A] en de erven [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover dit beroep is ingesteld door [appellant sub 1B],

niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voor het overige en het beroep van de erven [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt de goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan "Kom", voor zover het betrekking heeft op:

A. het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel Kerkbuurt 28-32;

B. het plandeel met de bestemming "Wonen - Vrijstaand" voor het perceel [locatie 2];

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de goedkeuring van rechtswege met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel Kerkbuurt 28-32 geheel in stand blijven;

V. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Wonen - Vrijstaand" voor het perceel [locatie 2];

VI. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder V genoemde in de plaats treedt van de goedkeuring van rechtswege zoals vermeld onder III;

VII. verklaart het beroep van de erven [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en tot vergoeding van bij de erven [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de erven [appellant sub 2] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

91-673.