Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200907290/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft bij besluit van 23 februari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Spoorzone".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:22
Faillissementswet
Faillissementswet 25
Faillissementswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Wabo en omgevingsvergunning 2011/420
JOM 2011/577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907290/1/M3.

Datum uitspraak: 22 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellante B], gevestigd te Delft,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft bij besluit van 23 februari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Spoorzone".

Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, is verschenen. [appellante A] en [appellante B] zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht zijn in geval van faillissement de artikelen 25 en 27 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Faillissementswet (hierna: de Fw) worden rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator ingesteld.

Indien zij, door of tegen de gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeling ingevolge het tweede lid tegenover de failliete boedel geen rechtskracht.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Fw wordt indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

Ingevolge het tweede lid heeft de gedaagde, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, het recht ontslag van instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de gefailleerde en de gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.

Ingevolge het derde lid is de curator, ook zonder opgeroepen te zijn, bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en de gefailleerde buiten het geding te doen stellen.

2.2. Het college en de raad betogen dat het beroep van de [appellante A] niet-ontvankelijk is omdat [appellante A] ten tijde van het instellen van beroep in staat van faillissement verkeerde. Tevens stelt het college dat het beroep van de [appellante B] niet-ontvankelijk is omdat [appellante B] na het instellen van beroep in staat van faillissement is komen te verkeren en de curator het beroep niet wil overnemen.

2.2.1. [appellante A] is bij vonnis van de rechtbank van 28 februari 2007 per die datum failliet verklaard. [appellante A] heeft met het instellen van het beroep beoogd een rechterlijk oordeel te verkrijgen over de goedkeuring van het college van het bestemmingsplan "Spoorzone". Dit beroep raakt de failliete boedel omdat het bestemmingsplan in dit geval kan leiden tot het aantasten van rechten van [appellante A]. Zo kan het bestemmingsplan, dat woningen toestaat nabij het bedrijventerrein, gevolgen hebben voor de waarde en mogelijkheid van overname van bedrijfspanden en derhalve de failliete boedel raken. Nu [appellante A] voor het instellen van beroep failliet is verklaard en het beroep de failliete boedel raakt, was op grond van artikel 25, eerste lid, van de Fw slechts de curator bevoegd beroep in te stellen. Gelet op het voorgaande, was [appellante A] niet gerechtigd beroep in te stellen.

2.2.2. [appellante B] is bij vonnis van de rechtbank van 14 september 2010 per die datum failliet verklaard. Het betoog van het college en de raad dat het beroep van [appellante B] niet-ontvankelijk is, wordt door de Afdeling beschouwd als een verzoek om ontslag van instantie als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Fw. Nu [appellante B] na het instellen van beroep failliet is verklaard, is op grond van artikel 27, eerste lid, van de Fw de curator opgeroepen het beroep over te nemen. Bij brief van 28 maart 2011 heeft de curator te kennen gegeven dat hij het beroep van [appellante B] niet wenst over te nemen. [appellante B] heeft met het instellen van het beroep beoogd een rechterlijk oordeel te verkrijgen over de goedkeuring van het college aan het bestemmingsplan "Spoorzone". Ook ten aanzien van [appellante B] moet worden vastgesteld dat het beroep de failliete boedel raakt omdat het bestemmingsplan in dit geval kan leiden tot het aantasten van rechten van [appellante B] Nu de curator het beroep niet overneemt, het beroep de failliete boedel raakt en het college heeft verzocht om ontslag van instantie, is [appellante B] niet gerechtigd het beroep voort te zetten.

2.2.3. De Afdeling is van oordeel dat het verzoek om ontslag van instantie van het college en de raad voor toewijzing in aanmerking zou komen, nu uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat redenen bestaan om de procedure voort te zetten. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Wet op de Raad van State in samenhang met artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht kan de uitspraak van de Afdeling echter niet strekken tot het verlenen van ontslag van instantie. De toewijzing van een dergelijk verzoek komt in feite neer op een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.3. De Afdeling zal thans de beroepen van [appellante A] en [appellante B] niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011

163-688.