Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8492

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
201011951/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De president van het EHRM heeft de interim measure niet gemotiveerd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft weliswaar een kopie daarvan en van het daartoe strekkende verzoek overgelegd, maar deze stukken bieden geen duidelijkheid over de reden van toewijzing. Ook de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat dient te worden aangenomen dat voormelde president niet lichtvaardig tot het treffen van een interim measure overgaat en hij daartoe strekkende verzoeken van de gemachtigde niet in alle gevallen heeft toegewezen, bieden die duidelijkheid niet. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de interim measure gelet op de specifieke situatie van de vreemdeling is getroffen, kan hieruit niet worden opgemaakt. Daarom is niet vast te stellen of de interim measure, die op zichzelf slechts een tijdelijk uitstel van uitzetting betreft en derhalve los staat van de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning te verlenen, door nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is ingegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank, door te overwegen dat de minister de interim measure niet bij het voornemen heeft betrokken en de vreemdeling aldus onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld in de zienswijze een deugdelijke reactie te geven, ten onrechte de wijze waarop het besluit van 18 november 2009 tot stand is gekomen getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011951/1/V1.

Datum uitspraak: 10 juni 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 november 2010 in zaak nr. 09/42490 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. In zijn grieven klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) op 13 november 2009 voor de vreemdeling getroffen "interim measure"(hierna: de interim measure) een nieuw gebleken feit is waarvan op voorhand niet kan worden geconcludeerd dat het niet aan het afwijzende besluit op de eerdere asielaanvraag van de vreemdeling kan afdoen. De minister klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de opvolgende aanvraag van de vreemdeling niet heeft kunnen afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit en, door de interim measure niet bij het voornemen te betrekken, de vreemdeling onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld in de zienswijze een deugdelijke reactie te geven. De minister voert hiertoe aan dat de president van het EHRM de interim measure niet heeft gemotiveerd, in de vorige procedure is komen vast te staan dat Italië voor de asielaanvraag van de vreemdeling verantwoordelijk is en er voor de minister, gelet op de stand van zaken van de procedure bij het EHRM, geen reden is om van het eerdere besluit terug te komen.

2.2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 14 maart 2009, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 18 november 2009 is van gelijke strekking als dat van 27 augustus 2009, zodat op het tegen dit besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.2.4. De president van het EHRM heeft de interim measure niet gemotiveerd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft weliswaar een kopie daarvan en van het daartoe strekkende verzoek overgelegd, maar deze stukken bieden geen duidelijkheid over de reden van toewijzing. Ook de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat dient te worden aangenomen dat voormelde president niet lichtvaardig tot het treffen van een interim measure overgaat en hij daartoe strekkende verzoeken van de gemachtigde niet in alle gevallen heeft toegewezen, bieden die duidelijkheid niet. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de interim measure gelet op de specifieke situatie van de vreemdeling is getroffen, kan hieruit niet worden opgemaakt. Daarom is niet vast te stellen of de interim measure, die op zichzelf slechts een tijdelijk uitstel van uitzetting betreft en derhalve los staat van de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning te verlenen, door nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is ingegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank, door te overwegen dat de minister de interim measure niet bij het voornemen heeft betrokken en de vreemdeling aldus onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld in de zienswijze een deugdelijke reactie te geven, ten onrechte de wijze waarop het besluit van 18 november 2009 tot stand is gekomen getoetst.

2.2.5. Nu ook in hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, daaruit niet naar voren komt dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet en hij voorts niet heeft aangevoerd dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is voor rechterlijke toetsing van het besluit van 18 november 2009 ook voor het overige geen plaats.

2.2.6. De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidend beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 november 2010 in zaak nr. 09/42490;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Schuurman

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011

282-670.

Verzonden: 10 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser