Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ8488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
201006371/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de vermelding op p. 56 van voormeld ambtsbericht, dat niet-Somali minderheden buiten de clanstructuur vallen, en in principe geen bescherming genieten, tenzij een Somali clan heeft toegezegd hen te beschermen, en de vermelding op pagina 58 van dit ambtsbericht dat de Tumal, als deelgroep van de niet-somali minderheidsgroep Gaboye, gediscrimineerd wordt, alsmede de vermelding op pagina 46 van de Guidelines dat de Tumal een "out-caste" clan vormt en out-caste clans volgens pagina 16 van de Guidelines in het bijzonder het risico lopen op mishandeling en discriminatie, is de enkele overweging van de minister, hiervoor weergegeven onder 2.5.1., niet toereikend en heeft de minister zich derhalve niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet vanwege het behoren tot de Tumal aan artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 aanspraak op bescherming kan ontlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006371/1/V2.

Datum uitspraak: 9 juni 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2010 in zaak nrs. 10/18971 en 10/18972 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna het Vb 2000) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. De minister klaagt in zijn enige grief, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de provincie Shabelle Hoose in Somalië geen sprake is van de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn). Aldus heeft de voorzieningenrechter, volgens de minister, miskend dat hij in het besluit toereikend heeft gemotiveerd dat in de provincie Shabelle Hoose in Somalië van een uitzonderlijke situatie, als in voormelde bepaling beschreven, geen sprake is.

2.2.1. De Afdeling heeft eerder (bij uitspraak van 9 september 2010 in zaak nr. 201001112/1/V2, www.raadvanstate.nl) overwogen dat de staatssecretaris van Justitie in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Shabelle Hoose ten tijde van belang, niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat de desbetreffende vreemdeling, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico zou lopen op ernstige schade, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling afkomstig is uit [plaats].

[plaats] ligt in de provincie Shabelle Hoose.

2.2.3. Nu uit hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd, waaronder het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van mei 2010, getiteld: "UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum seekers from Somalia" (hierna: de Guidelines), niet is af te leiden dat de situatie in Shabelle Hoose ten tijde van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de hiervoor vermelde uitspraak van 9 september 2010 aan de orde was, alsmede in aanmerking genomen dat het standpunt van de minister over het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn dezelfde strekking heeft als het standpunt ter zake van die bepaling in de zaak, die tot voormelde uitspraak van 9 september 2010 heeft geleid, is ook in het besluit van 27 mei 2010 deugdelijk gemotiveerd dat zich in Shabelle Hoose niet de uitzonderlijke situatie voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 mei 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. De vreemdeling heeft in beroep, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft. Daartoe heeft hij betoogd dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij niet wist wie zijn vader had gedood, nu het evident was dat het de familie van zijn vrouw moet zijn geweest. Ook heeft de minister ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat de vrouw van de vreemdeling gedurende ongeveer anderhalve maand deels bij haar familie en deels bij de vreemdeling op zijn eigen grond heeft gewoond, zonder dat haar familie hierachter kwam. In dit verband heeft de vreemdeling erop gewezen dat hij in het geheim met zijn vrouw samenwoonde en dat zijn vrouw destijds ook veel bij haar familie verbleef. Verder heeft de vreemdeling aangevoerd dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij niet de naam heeft kunnen noemen van een bij zijn ontvoering betrokken broer van zijn vrouw. In dit verband heeft de vreemdeling erop gewezen dat zijn vrouw negen broers had en dat hij de bewuste broer nauwelijks zag. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij, anders dan de minister heeft gesteld, wel heeft aangegeven hoe lang hij na de ontvoering is vastgehouden, namelijk minder dan één dag.

2.4.1. In het besluit van 27 mei 2010, waarbij het voornemen is ingelast, heeft de minister de vreemdeling artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen. Hiertegen is de vreemdeling in beroep niet opgekomen, zodat thans van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3; www.raadvanstate.nl), zal, indien aan een vreemdeling één van de omstandigheden, genoemd onder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, is tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3.4 (thans C14/2.4) van de Vreemdelingencirculaire 2000 van de verklaringen positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 9 januari 2008 in zaak nr. 200706294/1, www.raadvanstate.nl), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

2.4.3. In het besluit van 27 mei 2010, waarbij het voornemen is ingelast, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het relaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is. Aan dit standpunt heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet heeft kunnen verklaren door wie zijn vader is doodgeschoten, nadat zijn vader namens hem de familie van zijn vrouw om haar hand kwam vragen. Voorts heeft de minister het bevreemdend geacht dat de vreemdeling, nadat zijn vader zou zijn gedood, alsnog in dezelfde wijk met deze vrouw zou zijn getrouwd. Verder heeft de minister bij voormeld standpunt betrokken dat het niet aannemelijk is dat de vrouw van de vreemdeling gedurende ongeveer anderhalve maand deels bij haar familie en deels bij de vreemdeling op zijn eigen grond heeft gewoond, zonder dat haar familie hierachter kwam. Ook heeft de minister voormeld standpunt doen steunen op de omstandigheid dat de vreemdeling niet de naam heeft kunnen noemen van een bij zijn ontvoering betrokken broer van zijn vrouw. Daarbij heeft de minister betrokken dat de vreemdeling heeft verklaard deze broer eerder te hebben gezien. Verder heeft de minister aan bovenvermeld standpunt ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet heeft kunnen verklaren hoe lang hij precies na zijn ontvoering is vastgehouden, terwijl van hem had mogen worden verwacht dat hij hierover een duidelijke verklaring zou hebben afgelegd, nu deze gebeurtenis de essentie van zijn relaas raakt. Ook heeft de minister bij zijn beoordeling betrokken dat de vreemdeling niet de naam heeft kunnen noemen van de vriend van zijn vader die hem na zijn gestelde ontsnapping heeft geholpen.

2.4.4. De minister is in het besluit van 27 mei 2010, waarbij het voornemen is ingelast, op de hiervoor onder 2.4.3. beschreven wijze gemotiveerd ingegaan op hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, zoals weergegeven onder 2.4.. Gelet op het hiervoor onder 2.4.2. uiteengezette toetsingskader, biedt hetgeen de vreemdeling aldus heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas geen positieve overtuigingskracht heeft en derhalve ongeloofwaardig is. Daarbij is onder meer van belang dat de minister in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet kon verklaren door wie zijn vader is doodgeschoten en dat de minister het voorts in redelijkheid bevreemdend heeft kunnen achten dat de vreemdeling, nadat zijn vader zou zijn gedood nadat deze namens hem de familie van zijn vrouw om haar hand kwam vragen, alsnog in dezelfde wijk met deze vrouw zou zijn getrouwd. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de vreemdeling geen beroepsgrond heeft aangevoerd tegen het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet de naam heeft kunnen noemen van de vriend van zijn vader die hem na zijn gestelde ontsnapping heeft geholpen. De beroepsgrond faalt.

2.5. Verder heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat de minister bij de beoordeling of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat hij tot de Tumal behoort. Ter nadere toelichting hiervan heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar zijn zienswijze, verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2010, de Guidelines en het rapport "No end in sight: The ongoing suffering of Somalia's civilians" van Amnesty International van 25 maart 2010. Uit de Guidelines blijkt volgens de vreemdeling dat leden van minderheidsclans, en vooral "out-caste" clans zoals de Tumal, een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.5.1. De minister heeft zich in het besluit van 27 mei 2010, waarbij het voornemen is ingelast, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen aanspraak op bescherming kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aan dit standpunt heeft hij, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat, voor zover de vreemdeling zich beroept op problemen vanwege het behoren tot de Tumal, niet is gebleken dat hij behoort tot een door hem aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in Somalië en dat ook niet is gebleken dat de vreemdeling vanwege zijn etniciteit zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Somalië.

2.5.2. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19), dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features"), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329) zijn evenbedoelde specifieke onderscheidende kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (JV 2007/30).

2.5.3. In voormeld ambtsbericht is op p. 56, onder het kopje "3.4 Positie van specifieke groepen" met als subkopje "3.4.1 Minderheden", voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>"De niet-Somali minderheden kennen geen clanstructuur dan wel een clanstructuur die veel minder uitgesproken is dan die van de nomadische Somali clanfamilies. Om die reden worden de niet-Somali minderheden ook wel 'clanlozen' genoemd. Traditioneel vallen deze minderheden buiten de Somali clanstructuur, waardoor zij in principe geen bescherming genieten, tenzij een Somali clan heeft toegezegd hen te beschermen. (...)

In het algemeen hebben de niet-Somali minderheden zwaar te lijden onder de gewapende conflicten. Zij zijn gemakkelijke slachtoffers van mensenrechtenschendingen, zoals discriminatie, roof, verkrachting, plundering en moord door leden van meerderheidsclans. Zoals ook al eerder aangegeven is de clanstructuur in Somalië onder druk komen te staan. Dit zorgt ervoor dat niet-Somali minderheden de traditionele bescherming vaker moeten ontberen. Ook bescherming door de politie is gezien de corruptie en discriminatie vaak niet mogelijk."</small>

Op p. 58 van het ambtsbericht is, onder het subkopje "3.4.3 Niet-Somali minderheden", voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>"De Gaboye bestaan uit de Tumal (traditioneel smeden), de Midgan (traditioneel onder andere schoenmakers) en de Yibir. (...). De Gaboye worden gediscrimineerd."</small>

2.5.4. Op p. 15 en verder van de Guidelines is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>"Members of minority clans in southern and central Somalia include (...) Tumal (...) and (...). These minority clans are vulnerable as they lack the military capabilities to defend themselves and do generally not benefit from the protection of war-lords and militias of the large clans. They are therefore exposed to an increased risk of rape, attack, abduction and having their real and personal property confiscated in southern and central Somalia's lawless atmosphere.(...) Members of certain minority clans, such as the Midgan, Tumal and Yibir, who were previously residing near or with majority clans, may be able to call upon the protection of majority clans, if that historical relationship exists. However, given the breakdown in clan protection mechanisms due to the ongoing conflict, as a result of which members of majority clans may no longer be able to rely on such protection, the situation of members of minority clans living together with majority clans will be precarious too. UNHCR considers that members of minority clans in southern and central Somalia are at risk on the ground of their ethnicity/race (especially the out-caste clans)."</small>

2.5.5. Gelet op de vermelding op p. 56 van voormeld ambtsbericht, dat niet-Somali minderheden buiten de clanstructuur vallen, en in principe geen bescherming genieten, tenzij een Somali clan heeft toegezegd hen te beschermen, en de vermelding op pagina 58 van dit ambtsbericht dat de Tumal, als deelgroep van de niet-somali minderheidsgroep Gaboye, gediscrimineerd wordt, alsmede de vermelding op pagina 46 van de Guidelines dat de Tumal een "out-caste" clan vormt en out-caste clans volgens pagina 16 van de Guidelines in het bijzonder het risico lopen op mishandeling en discriminatie, is de enkele overweging van de minister, hiervoor weergegeven onder 2.5.1., niet toereikend en heeft de minister zich derhalve niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet vanwege het behoren tot de Tumal aan artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 aanspraak op bescherming kan ontlenen. De hiervoor onder 2.5. weergegeven beroepsgrond slaagt.

2.6. Ten aanzien van het betoog van de vreemdeling dat, nu fraude geen deel uitmaakt van de in artikel 3.106 van het Vb 2000 genoemde indicatoren, aan de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië ten onrechte de door Somalische asielzoekers gepleegde fraude ten grondslag is gelegd, wordt het volgende overwogen. In de uitspraak van 9 september 2010 in zaak nr. 200906039/1/V2 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen dat de minister in de zaak, die tot die uitspraak heeft geleid, ter zitting bij de Afdeling nader heeft toegelicht dat de geconstateerde fraude niet de grond geweest is voor het beëindigen van het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, maar dat dit wel de aanleiding is geweest het beleid te heroverwegen en dat bij die heroverweging in de in artikel 3.106 van het Vb 2000 genoemde indicator "het beleid in andere landen van de Europese Unie" grond is gevonden voor beëindiging van het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat, nu niet is voorgeschreven welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de indicatoren die in ieder geval worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, geen grond bestaat voor de conclusie dat het standpunt, dat geen categoriaal beschermingsbeleid hoeft te worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, de toetsing in rechte niet kan doorstaan.

De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond faalt.

2.7. Gezien het onder 2.5.5. overwogene, is het beroep gegrond en dient het besluit van 27 mei 2010 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8. De minister, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2010 in zaak nr. 10/18971;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 27 mei 2010, kenmerk 0807.30.1317;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011

418-663.

Verzonden: 9 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser