Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201000408/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2009, kenmerk PZH-2009-135482655, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiderdorp bij besluit van 9 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Bospoort".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000408/1/R1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Bewonersvereniging Essenpark, gevestigd te Leiderdorp, en anderen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pannenkoekenboerderij de Hooiberg Leiderdorp B.V., gevestigd te Leiderdorp,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009, kenmerk PZH-2009-135482655, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiderdorp bij besluit van 9 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Bospoort".

Tegen dit besluit hebben Bewonersvereniging Essenpark en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2010, en de Pannenkoekenboerderij bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2010, beroep ingesteld. Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 10 februari 2010 en 21 april 2011.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Bewonersvereniging Essenpark en anderen en de raad hebben hierop een zienswijze naar voren gebracht.

Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2011, waar Bewonersvereniging Essenpark en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Pannenkoekenboerderij, vertegenwoordigd door [directeur], en het college, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, [gemachtigde], werkzaam bij Goudappel Coffeng, alsmede de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IKEA Beheer B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IKEA Nederland B.V., beide vertegenwoordigd door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De Pannenkoekenboerderij heeft bij de raad geen zienswijze naar voren gebracht.

2.2. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep is niet gericht tegen een bij de vaststelling van het bestemmingsplan gewijzigd onderdeel en niet is gebleken dat de Pannenkoekenboerderij redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Het beroep van de Pannenkoekenboerderij is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.4. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het bedrijventerrein Bospoort, gesitueerd ten noorden van de rijksweg A4 en ten zuiden van de Persant Snoepweg en de Zuidzijderweg. In het plan wordt onder meer de vestiging van perifere detailhandel mogelijk gemaakt. Hiertoe is aan een deel van de gronden de bestemming "Detailhandel (D)" met de aanduiding "detailhandel toegestaan (det)" toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor perifere detailhandelsvestigingen met een maximale verkoopvloeroppervlakte van 14.500 m² en een brutovloeroppervlakte van 22.000 m², wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterlopen en water(partijen), nutsvoorzieningen, afvalverzamelsystemen, geluidwerende en zichtafschermende voorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat detailhandel uitsluitend is toegestaan binnen het als zodanig op de plankaart aangegeven bouwvlak.

Beroep Bewonersvereniging Essenpark en anderen

2.5. Bewonersvereniging Essenpark en anderen kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Detailhandel (D)" met de nadere aanduiding "detailhandel toegestaan (det)".

2.6. Bewonersvereniging Essenpark en anderen voeren ten eerste aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit vooringenomen is geweest, aangezien het college is gebonden aan de zogenoemde "W4-overeenkomst".

2.6.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

2.6.2. In de enkele omstandigheid dat tussen de gemeenten Leiderdorp, Leiden en Zoeterwoude, Rijkswaterstaat, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: het Ministerie van Infrastructuur en Milieu) en de provincie een zogenoemde "W4-overeenkomst" is gesloten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan niet objectief heeft getoetst. De motivering zoals deze door het college aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, geeft de Afdeling voor dit oordeel evenmin aanleiding. Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom het college vooringenomen zou zijn geweest.

Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.7. Bewonersvereniging Essenpark en anderen voeren aan dat het college niet heeft onderkend dat een (beoordelings)plicht tot het maken van een milieueffectrapport bestaat voor het plandeel met de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "detailhandel toegestaan", al dan niet bezien in samenhang met de andere activiteiten uit het W4-project, Zij wijzen in dit verband op de categorieën 10.1 van de onderdelen C en D en 11.2 en 11.3 van onderscheidenlijk de onderdelen C en D, als ook 11.2 van onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (hierna: Besluit m.e.r. 1994). Ze verwijzen tevens naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, (www.curia.europa.eu), waaruit volgens hen volgt dat ook dient te worden gekeken naar andere omstandigheden.

2.7.1. Het college deelt het standpunt van de raad dat het plan op dit punt geen drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. 1994 overschrijdt. Van samenhang met de overige activiteiten binnen het W4-project is geen sprake, aldus het college.

2.7.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. 1994 worden als activiteiten bij de voorbereiding waarvan een m.e.r. moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. 1994 worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of een m.e.r. moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In de onderdelen C en D van de bijlage wordt in categorie 10.1, voor zover thans van belang, bepaald dat een m.e.r. dient te worden gemaakt dan wel beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg onderscheidenlijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een voorziening of een combinatie van voorzieningen die 500.000 onderscheidenlijk 250.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt, een oppervlakte beslaat van 50 ha of meer onderscheidenlijk 25 ha of meer, of een oppervlakte beslaat van 20 ha of meer onderscheidenlijk 10 ha of meer in een gevoelig gebied.

In onderdeel D van de bijlage wordt in categorie 11.2, voor zover thans van belang, bepaald dat beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de uitvoering dan wel de wijziging of uitbreiding van de uitvoering van een stadsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een activiteit op een oppervlakte van 100 ha of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

In de onderdelen C en D van de bijlage wordt in categorie 11.2 onderscheidenlijk 11.3, voor zover thans van belang, bepaald dat een m.e.r. dient te worden gemaakt dan wel beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg onderscheidenlijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een voorziening die een oppervlakte beslaat van 150 ha of meer onderscheidenlijk 75 ha of meer.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat de in het plandeel voorziene detailhandelsvestigingen niet kunnen worden aangemerkt als recreatieve of toeristische voorzieningen als bedoeld in categorie 10.1 van de onderdelen C en D van de bijlage. Nog daargelaten of sprake is van een stadsproject, de drempelwaarden voor de categorie stadsproject worden niet overschreden. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad onbetwist heeft gesteld dat alle onderdelen van het W4-project gezamenlijk minder dan 100 ha beslaan. Voorts worden de drempelwaarden voor de categorie bedrijventerrein niet overschreden. Onbestreden is in dit verband dat het W4-project ziet op voorzieningen op het gebied van wonen, werken, recreatie en groen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel al dan niet in combinatie met de overige onderdelen binnen het W4-project m.e.r.-(beoordelings)plichtig is op grond van het Besluit m.e.r. 1994. Voor zover Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben verwezen naar voormeld arrest van het Hof, hebben zij als bijzondere omstandigheden uitsluitend gewezen op de te verwachten verkeerstoename in hun omgeving en de ligging aan het Groene Hart. De Afdeling overweegt dat hiermee niet is gebleken van andere factoren als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 - waarom gelet op voormeld arrest ook bij het niet overschrijden van een drempelwaarde toch een m.e.r.-beoordeling had moeten plaatsvinden.

2.8. Bewonersvereniging Essenpark en anderen stellen dat de onderzoeken op het gebied van luchtkwaliteit ondeugdelijk zijn, omdat de gevolgen van het plan op dit punt voor de buiten het plangebied gelegen wegen Persant Snoepweg tussen de Dwarswetering en de Leiderdorpsebrug daarin niet zijn meegenomen.

2.8.1. In het bestreden besluit wijst het college erop dat het voorliggende plandeel tezamen met de overige activiteiten in het kader van het W4-project als 'in betekenende mate' project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: het NSL) dat is vastgesteld op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer en op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Reeds gelet hierop is het plandeel volgens het college in overeenstemming met de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteit. Verder wijst het college erop dat uit de rapporten van Oranjewoud volgt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

2.8.2. In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn regels gesteld met betrekking tot de luchtkwaliteit.

Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, stelt de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat is gericht op het bereiken van die grenswaarde.

Ingevolge artikel 5.12, tiende lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de minister het programma wijzigen indien naar zijn oordeel uit de rapportages, bedoeld in artikel 5.14, naar voren komt dat de effecten op de luchtkwaliteit van in het programma genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen, niet of niet langer in redelijkheid kunnen worden gehanteerd bij de uitoefening van de in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d bedoelde bevoegdheden.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder c, - voor zover thans van belang - kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dit besluit is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma.

2.8.3. Ingevolge artikel 5.16, derde lid van de Wet milieubeheer, is voor besluiten welke zijn opgenomen in het NSL geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit meer nodig. De Afdeling overweegt dat het plandeel in het NSL is opgenomen. Gelet daarop kan de omstandigheid dat de realisering van het project gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gelet op het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met het tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, niet aan vaststelling van het plan in de weg staan. Hoewel het NSL nog niet in werking was ten tijde van de vaststelling van het plan, dienen besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit niet behoefde te worden getoetst aan de normen voor luchtkwaliteit en kan hetgeen de Bewonersvereniging Essenpark en anderen in dit verband hebben aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Voor zover de Bewonersvereniging Essenpark en anderen in reactie op het deskundigenbericht hebben aangevoerd dat niet inzichtelijk is gemaakt dat de negatieve effecten met het NSL zodanig worden gecompenseerd dat aan de in de Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008 L 152) (hierna: de richtlijn) genoemde grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat bij uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. 201008134/1/M2 is overwogen dat de betrokken grenswaarden ingevolge de richtlijn vanaf 11 juni 2011 onderscheidenlijk 1 januari 2015 gaan gelden. Verder is in die uitspraak overwogen dat toepassing van het wettelijke systeem in de situatie dat bij het nemen van het bestreden besluit deze grenswaarden nog niet gelden, zoals ook in de voorliggende situatie het geval is, niet in strijd is met de richtlijn. Gelet hierop faalt het betoog van de Bewonersverening Essenpark en anderen.

Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen de Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben aangevoerd omtrent de aan het plan ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoeken geen bespreking meer, nu met die beroepsgronden is beoogd te betogen dat aan de hand van die onderzoeken de effecten van het plan op de luchtkwaliteit onjuist zijn beoordeeld.

2.9. Bewonersvereniging Essenpark en anderen stellen dat de gevolgen van het plandeel voor het buiten het plangebied gelegen gedeelte van de Persant Snoepweg gelegen tussen de Dwarswetering en de Leiderdorpsebrug ten onrechte niet is onderzocht en meegenomen in de verkeerskundige onderzoeken en in het onderzoek naar geluid. Verder betogen zij dat in wel verrichte onderzoeken onjuiste aannames voor verkeerbewegingen en bezoekersaantallen zijn gebruikt.

2.9.1. Het college kan instemmen met de conclusies uit de verkeersrapporten die de raad heeft laten uitvoeren. Uit de rapporten is af te leiden dat de voorziene verkeerssituatie de toekomstige verkeersstromen goed kan verwerken. Het college betoogt dat de rapporten niet zodanige leemten of gebreken vertonen dat de raad zich er bij het nemen van zijn besluit niet op had mogen baseren.

Uit het rapport 'Akoestisch onderzoek gevolgen IKEA-vestiging Bospoort' van 14 augustus 2006 van Goudappel Coffeng (hierna: het akoestisch onderzoek) volgt dat de geluidsbelasting binnen de wettelijk gestelde normen blijft en dat de geluidsbelasting op de gevel van woningen in de omgeving van het plangebied nergens zodanig hoog is dat in de woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, aldus het college.

2.9.2. Op het gebied van verkeer zijn in het kader van de voorbereiding van het plan de volgende onderzoeken verricht.

De resultaten van het eerste onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeerskundig onderzoek ontsluiting IKEA Leiderdorp" van Goudappel Coffeng van 2 februari 2006. De conclusie uit dit rapport is dat de komst van de IKEA extra verkeer zal genereren. Dit extra verkeer is met name georiënteerd richting de rotonde N446-Persant Snoepweg. Om het verkeer te kunnen blijven afwikkelen is een bypass op de rotonde N446-Persant Snoepweg wenselijk. Met een bypass zal er minder verkeer gaan rijden op de rotonde Bospoort. Zelfs minder dan in de autonome situatie. Ook neemt het verkeer richting Leiderdorp (Persant Snoepweg) af. De noordelijke rotonde met de Rijkswegaansluiting verwerkt volgens het rapport eveneens veel verkeer. De verwachting bestaat dat over 10 jaar afwikkelingsproblemen kunnen ontstaan. Om dit tegen te gaan worden twee maatregelen genoemd. Het rapport is mede gebaseerd op de Regionale Verkeersmilieukaart Leidse Regio van 19 december 2003 en op het rapport "Herberekening verkeersstromen in het W4-gebied op basis van de stand van zaken mei 2005".

Op 20 februari 2008 is door Goudappel Coffeng het rapport "Verkeersprognose W4 bij een A4 van 2x2" uitgebracht. De eerder verrichte verkeersonderzoeken hadden als uitgangspunt een verbreding naar 2x3 rijstroken. In het nieuwe onderzoek is als uitgangspunt 2 x 2 rijstroken genomen. De conclusie van dit rapport is dat met betrekking tot de toekomstige verkeersafwikkeling als gevolg van de komst van de IKEA kan worden geconcludeerd dat het beschouwde verkeerssysteem, zoals dat is ontworpen en inmiddels vrijwel geheel is uitgevoerd, de toekomstige verkeersstromen goed kan verwerken. Rond 2016 dient een bypass gerealiseerd te zijn langs rotonde 2, zodat het verkeer dat de N446 volgt richting Leiden/Leiderdorp niet meer via de rotonde hoeft te rijden. Indien het verkeer zich zal ontwikkelen conform de prognoses van de RVMK 2003 zullen bescheiden aanpassingen aan de rotondes 2 en 3 toereikend zijn om voldoende capaciteit te bieden.

Verder is op 29 oktober 2008 door Goudappel Coffeng het rapport "Detailanalyse verkeersstromen nabij Bospoort, Leiderdorp" uitgebracht. Aanleiding hiervoor vormde mogelijke hervestiging van de Pannenkoekenboerderij in 't Ghoybos. In het rapport is bezien of de ontworpen verkeerssituatie de verkeersstromen in de toekomst kan verwerken. De conclusie over de verkeersafwikkeling komt overeen met de conclusie in het rapport van 20 februari 2008.

Voorts heeft Goudappel Coffeng het rapport "Bijdrage IKEA-vestiging aan het verkeersbeeld in Leiderdorp; doorrekening met RVMK 2007 d.d 16 juli 2009" uitgebracht. In dit rapport is op verzoek van het gemeentebestuur gebruik gemaakt van de nieuwste versie van de RVMK. De conclusie uit dit rapport is dat de verkeerseffecten van de vulling van Bospoort met onder andere een vestiging van IKEA zeer lokaal betekenis heeft voor Leiderdorp, de effecten op iets grotere afstand beperkt zijn en op de drukste wegvakken de bijdrage enkele procenten is.

Op het gebied van geluid is op 14 augustus 2006 het rapport "Akoestisch onderzoek gevolgen IKEA-vestiging Bospoort" van Goudappel Coffeng uitgebracht. De conclusie uit dit rapport is dat de verschillen tussen de situatie met IKEA en bypass en zonder IKEA en bypass beperkt zijn. Omdat de toename van de verkeerintensiteit op de overige wegen niet meer dan 40% bedraagt, is er geen sprake van gevolgen elders in het kader van de Wet geluidhinder.

2.9.3. De Afdeling overweegt dat anders dan Bewonersvereniging Essenpark en anderen betogen, in de rapporten rekening is gehouden met de verkeerseffecten van de komst van IKEA op de Persant Snoepweg. Bij de beoordeling van het betoog dat onjuiste aannames voor verkeersbewegingen zijn gebruikt, betrekt de Afdeling dat het provinciebestuur het voornemen heeft de bypass aan de rotonde aan te leggen bij het uitvoeren van het groot onderhoud aan de N446b (uitvoering 2011), dan wel mee ten nemen in het groot onderhoud van de N446a (uitvoering 2012). Aannemelijk is derhalve dat de bypass op korte termijn kan en zal worden verwezenlijkt. Voorts wordt voor zover Bewonersvereniging Essenpark en anderen betogen dat het rapport "Herberekening verkeersstromen in het W4-gebied op basis van de stand van zaken mei 2005", waarop het rapport van 2 februari 2006 is gebaseerd, te lage ritproducties weergeeft, overwogen dat in het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het rapport van 16 juli 2009 rekening is gehouden met de veranderingen in inwoneraantallen en arbeidsplaatsen in de omgeving. Ook faalt het betoog dat de verwachte bezoekersaantallen van IKEA vestiging zijn onderschat, met name ook wat betreft zon- en feestdagen, omdat het gehanteerde verkeerskundige model volgens hen is gebaseerd op het voor IKEA rustigste tijdvak, namelijk de avondspits. Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben niet weersproken dat het door Goudappel Coffeng gehanteerde model is gecorrigeerd voor de bezoekersaantallen buiten de avondspits. Ook hebben Bewonersvereniging Essenpark en anderen niet aannemelijk gemaakt dat in de onderzoeken er ten onrechte vanuit is gegaan dat het grootste deel van de bezoekers gebruik zal maken van de A4 en de N446.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, hebben Bewonersvereniging Essenpark en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

2.10. Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen en bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is hierop ingegaan. Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.11. De conclusie is dat hetgeen Bewonersvereniging Essenpark en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pannenkoekenboerderij de Hooiberg Leiderdorp B.V. niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de vereniging Bewonersvereniging Essenpark en anderen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

91-673.