Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201010753/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0493, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 juli 2002 in zaak nr. 200202765/1, JV 2002/311), dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit voormeld artikel 45 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010753/1/V2.

Datum uitspraak: 9 juni 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [de vreemdeling],

2. de minister voor Immigratie en Asiel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 14 oktober 2010 in zaak nr. 09/45943 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 november 2010, en de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 november 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De vreemdeling en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

<u>In het hoger beroep van de vreemdeling</u>

2.1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

<u>In het hoger beroep van de minister</u>

2.3. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, op de grond dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat de vreemdeling bij uitzetting naar Mogadishu geen reëel risico loopt op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming. Daartoe betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheden waaronder een mogelijke uitzetting zal plaatsvinden bij haar beoordeling heeft betrokken, nu uitzetting eerst aan de orde kan komen indien de vreemdeling niet voldoet aan zijn plicht om het land zelfstandig te verlaten. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zal worden, maakt geen deel uit van het besluit tot afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling, aldus de minister.

2.3.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 juli 2002 in zaak nr. 200202765/1, JV 2002/311), dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit voormeld artikel 45 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 november 2009 in stand worden gelaten en de minister heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog bepalen dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand blijven.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 14 oktober 2010 in zaak nr. 09/45943, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 november 2009 in stand blijven;

- de minister voor Immigratie en Asiel heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 november 2009 geheel in stand blijven;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vreken

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011

434.

Verzonden: 9 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser