Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201009571/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN5049, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] gelast de woning aan [locatie] te Amsterdam (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en die vanaf 3 augustus 2010, 15.07 uur, tot 13 augustus 2010, 15.07 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [wederpartij] voorts verboden contact op te nemen met [6 belanghebbenden].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009571/1/H3.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010 in zaken nrs. 467532 en 467494 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

de burgemeester.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] gelast de woning aan [locatie] te Amsterdam (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en die vanaf 3 augustus 2010, 15.07 uur, tot 13 augustus 2010, 15.07 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [wederpartij] voorts verboden contact op te nemen met [6 belanghebbenden].

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de burgemeester het voornoemde huisverbod verlengd tot 31 augustus 2010, 15.07 uur.

Bij mondelinge uitspraak van 18 augustus 2010 heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] tegen het besluit van 3 augustus 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. De voorzieningenrechter heeft tevens het door [wederpartij] tegen het besluit van 12 augustus 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de periode vanaf zijn uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 2 november 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [een der belanghebbenden] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2011, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A. Berends en mr. E. Pans, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth), zoals die luidde ten tijde van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2.2. De burgemeester heeft [wederpartij] een huisverbod opgelegd naar aanleiding van een aangifte van zijn echtgenote [een der belanghebbenden] van 2 augustus 2010 van een incident van die datum. Volgens het besluit van 3 augustus 2010 heeft [wederpartij] langdurig extreem geweld gebruikt in het bijzijn van de kinderen en heeft hij alcohol gebruikt. Verder is in dat besluit opgemerkt dat [wederpartij] ontkent dat hij [een der belanghebbenden] heeft geslagen en dat er geen hulpverlening is betrokken bij het gezin. De burgemeester heeft het creëren van rust en veiligheid voor het gezin van doorslaggevend belang geacht. Hij heeft het huisverbod verlengd omdat hulpverleners spanningen hebben vastgesteld tussen [wederpartij] en [een der belanghebbenden], de hulpverlening nog op gang moest komen, de kans op escalatie bij terugkeer naar huis van [wederpartij] aanwezig was en de dreiging van geweld of het ernstig vermoeden daarvan nog niet was geweken. Het belang bij het verlengen van het huisverbod, te weten het bieden van veiligheid aan achterblijvers, woog daarom zwaarder dan het belang van [wederpartij] om zich vrijelijk in en rondom de woning te kunnen begeven, gelet op de voortzetting van het gevaar, aldus de burgemeester in het besluit van 12 augustus 2010.

2.3. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 3 augustus 2010 vernietigd omdat de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd dat besluit niet kan dragen. De enkele ontkenning door [wederpartij] van de gestelde bedreiging kan geen aanleiding zijn het huisverbod op te leggen. Voorts bevat het Risico-taxatieinstrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) dat is ingevuld en aan het besluit van 3 augustus 2010 ten grondslag is gelegd een groot aantal fouten, althans stellingen, die geen grondslag vinden in de onderliggende processen-verbaal en politiemutaties, hetgeen ter zitting is erkend, aldus de voorzieningenrechter. Het beeld dat in het RiGH van [wederpartij] wordt geschetst doet volgens de voorzieningenrechter op belangrijke onderdelen geen recht aan de werkelijke situatie. Hij heeft evenwel de rechtsgevolgen van het besluit van 3 augustus 2010 in stand gelaten, omdat op grond van de verklaringen van [wederpartij] en [een der belanghebbenden], die zijn neergelegd in de processen-verbaal van de aangifte van 2 augustus 2010 en van het verhoor van [wederpartij] van 3 augustus 2010, het proces-verbaal van bevindingen van 2 augustus 2010, waarin onder meer de verklaring van N. [wederpartij] is opgenomen, en de politiemutatie van 6 oktober 2009 weliswaar niet is komen vast te staan dat [wederpartij] [een der belanghebbenden] op 3 (lees: 2) augustus 2010 met een mes heeft bedreigd, maar de burgemeester op grond van die stukken wel het ernstig vermoeden kon hebben dat de toedracht van het voorval van 2 augustus 2010 is zoals [een der belanghebbenden] heeft beschreven. Daarom heeft de burgemeester aan de ernst van de door [een der belanghebbenden] beweerde bedreiging het ernstig vermoeden kunnen ontlenen dat haar veiligheid ernstig en onmiddellijk gevaar liep, aldus de voorzieningenrechter. Hij heeft voorts overwogen dat bij de afweging van de betrokken belangen de burgemeester in redelijkheid tot het opleggen van het huisverbod heeft kunnen komen.

De voorzieningenrechter heeft verder overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ernstig vermoeden van gevaar op 12 augustus 2010 nog niet was geweken. Hij heeft het besluit van die datum evenwel vernietigd, omdat ter zitting [wederpartij] er blijk van heeft gegeven inzicht te hebben in zijn alcoholprobleem en hij zich gemotiveerd heeft getoond om zijn plaats in het gezin op verantwoorde wijze weer in te nemen. Verder heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien te twijfelen aan de verklaring ter zitting van [wederpartij] dat hij tijdens de Ramadan in het geheel geen alcohol nuttigt. Omdat de gevaarzetting in belangrijke mate samenhing met zijn alcoholmisbruik en de Ramadan eindigde na afloop van het verlengde huisverbod, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning geen onmiddellijk dreigend gevaar voor zijn huisgenoten opleverde.

2.4. De burgemeester betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat hij het besluit tot oplegging van het huisverbod wel voldoende heeft gemotiveerd. Uit het gegeven dat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het door hem vernietigde besluit van 3 augustus 2010 in stand heeft gelaten, volgt volgens de burgemeester dat hij dat besluit wel deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200803416/1) heeft een bestuursorgaan in de regel geen belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep indien de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand zijn gelaten. Dat de burgemeester, zoals hij ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, een principiële uitspraak wenst te verkrijgen vanwege toekomstige zaken is onvoldoende om wel belang aan te nemen. De bestuursrechter is slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Voorts zijn de overwegingen van de voorzieningenrechter niet bindend in toekomstige zaken. Dat de burgemeester is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij] is daartoe eveneens onvoldoende.

2.5. De burgemeester betoogt verder dat de voorzieningenrechter het besluit tot verlenging van het huisverbod ten onrechte heeft vernietigd. Volgens hem had de voorzieningenrechter niet op grond van de enkele verklaring van [wederpartij] ter zitting van de voorzieningenrechter, dat hij tijdens de Ramadan geen alcohol nuttigt, het gegeven dat de Ramadan eindigt na afloop van het verlengde huisverbod en dat de gevaarzetting in belangrijke mate samenhangt met zijn alcoholmisbruik, mogen oordelen dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning geen onmiddellijk dreigend gevaar voor zijn huisgenoten oplevert. [wederpartij] heeft reeds vier jaar een alcoholverslaving, hetgeen ook niet door hem wordt weersproken. Niet is uitgesloten dat [wederpartij] tijdens de Ramadan bij zonsondergang, wanneer weer wordt gegeten en gedronken, alcohol nuttigt, aldus de burgemeester. Daarnaast volgt volgens hem uit het op 11 augustus 2010 uitgebrachte advies van de Blijfgroep coördinatiepunt Tijdelijk Huisverbod (hierna: Zorgadvies) dat de hulpverleners twijfelen aan de oprechtheid van [wederpartij] om mee te werken met de hulpverlening.

2.5.1. Vooropgesteld wordt dat slechts het oordeel van de voorzieningenrechter dat [wederpartij] ten tijde van de behandeling van zijn beroep ter zitting geen gevaar meer vormde voor zijn huisgenoten wordt bestreden.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de burgemeester zich op grond van het Zorgadvies van 11 augustus 2010 en het op 12 augustus 2010 uitgebrachte advies van de Directie Openbare Orde en Veiligheid op het standpunt mocht stellen dat het ernstig vermoeden van de gevaardreiging nog niet was geweken. De voorzieningenrechter heeft hierbij verder opgemerkt dat nog geen concrete stappen waren genomen in de hulpverlening en dat de huiselijke problemen nog niet waren opgelost. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de burgemeester zich terecht bevoegd heeft geacht om het besluit tot verlenging van het huisverbod te nemen.

In het licht van dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering is het niet begrijpelijk waarom de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het besluit tot verlenging van het huisverbod vanaf het moment van de uitspraak diende te worden vernietigd. Hij heeft de omstandigheden die hem noopten tot het oordeel dat de burgemeester het besluit tot verlenging van het huisverbod mocht nemen, niet betrokken in zijn oordeel over de vraag of dat besluit na de uitspraak in stand diende te blijven.

Het betoog van de burgemeester slaagt.

2.5.2. Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van de burgemeester, dat de voorzieningenrechter na de vernietiging van het besluit van 13 augustus 2010 ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven tot het tijdstip van zijn uitspraak, geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen de vernietiging van het besluit van 3 augustus 2010. Het hoger beroep is gegrond, voor zover dat is gericht tegen de vernietiging van het besluit van 12 augustus 2010. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter dat besluit heeft vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2010 van [wederpartij] alsnog ongegrond verklaren.

2.7. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de vernietiging van het besluit van 3 augustus 2010;

II. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2010 en de vernietiging van dat besluit;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010 in zaken nrs. 467532 en 467494, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2010 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd;

IV. verklaart het bij de rechtbank tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond;

V. veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

280-622.