Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201009570/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] gelast de woning aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en die vanaf 6 april 2010, 16.30 uur, tot 16 april 2010, 16.30 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [wederpartij] voorts verboden contact op te nemen met [belanghebbende].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009570/1/H3.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2010 in zaak nr. 457351 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

de burgemeester.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] gelast de woning aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en die vanaf 6 april 2010, 16.30 uur, tot 16 april 2010, 16.30 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [wederpartij] voorts verboden contact op te nemen met [belanghebbende].

Bij uitspraak van 15 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 2 november 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2011, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Pans en mr. A. Berends, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. G.W.B. Meijer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth), zoals die luidde ten tijde van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan de burgemeester van de bevoegdheden en taken, bedoeld in artikel 2, eerste, derde, zevende en achtste lid, en artikel 5, eerste lid, mandaat onderscheidenlijk machtiging verlenen aan de hulpofficier van justitie. Artikel 10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: het Besluit) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2.2. De burgemeester heeft [wederpartij] een huisverbod opgelegd naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld van 6 april 2010.

2.3. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het huisverbod niet aan [wederpartij] had mogen opleggen. Volgens hem leverde de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning op 6 april 2010 een ernstig en onmiddellijk gevaar op voor [slachtoffer]. Voorts bevat het RiHG geen onjuistheden en heeft hij ter zitting enkel erkend dat het eerdere incident van 16 augustus 2009 op een onjuiste plaats in het RiGH is ingevuld. Het is volgens de burgemeester niet noodzakelijk een motivering te geven van de punten die in het RiHG zijn aangekruist. De rechtbank heeft verder teveel waarde gehecht aan de verklaring van [slachtoffer] van 8 juli 2010, aldus de burgemeester.

2.4. De belangrijkste signalen die in dit geval hebben geleid tot het huisverbod zijn de verwondingen aan [slachtoffer], het slachtoffer, het gegeven dat zij was overgoten met afwasmiddel en het gegeven dat [wederpartij] niet te benaderen was en op het ene moment niet te hanteren was en op het volgende moment weer wel. Hier staat tegenover dat het geweld bij het incident van 16 augustus 2009 van [slachtoffer] uitging en dat [wederpartij] bij dat incident contact heeft opgenomen met de politie. Voorts heeft [wederpartij] bij dat incident te kennen gegeven de woning te willen verlaten en de relatie met [slachtoffer] te willen beëindigen, maar heeft zij hem daarvan uiteindelijk weerhouden. Niet in geschil is verder dat [slachtoffer] bij het incident van 6 april 2010 als eerste geweld heeft gebruikt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2010 volgt verder dat [wederpartij] buiten de woning stond te wachten op de politiebeambten. Ook [wederpartij] had letsel opgelopen. Voorts heeft [wederpartij] [slachtoffer] weliswaar overgoten met afwasmiddel, maar dat geschiedde nadat [slachtoffer] de fles afwasmiddel ter hand had genomen. Verder volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2010 dat [wederpartij] voornemens was de relatie te beëindigen en de woning te verlaten teneinde bij zijn moeder te gaan wonen, hetgeen tegen de achtergrond van het incident van 16 augustus 2009 niet ongeloofwaardig is.

Gelet op al het hiervooroverwogene bestaat onvoldoende grond te oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich niet op goede gronden bevoegd heeft kunnen achten om het huisverbod op te leggen. Dat, zoals de burgemeester stelt, de rechtbank ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het RiHG onjuistheden bevat, wat daar overigens ook van zij, kan daarom niet doorslaggevend zijn.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

280-622.