Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
200904915/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2009, kenmerk PZH-2009-373981, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moordrecht bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Westergouwe", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Moordrecht, thans: Zuidplas.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 27
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Wet op de Ruimtelijke Ordening 54
Wet op de Ruimtelijke Ordening 56
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.40
Activiteitenbesluit milieubeheer
Activiteitenbesluit milieubeheer 1.1
Activiteitenbesluit milieubeheer 1.2
Activiteitenbesluit milieubeheer 1.4
Besluit landbouw milieubeheer
Besluit landbouw milieubeheer 1
Besluit landbouw milieubeheer 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904915/1/R1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2009, kenmerk PZH-2009-373981, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moordrecht bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Westergouwe", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Moordrecht, thans: Zuidplas.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad van de gemeente Moordrecht, thans: gemeente Zuidplas (hierna: de raad) en de raad van de gemeente Gouda hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Sprietsma en ing. M.J. van Woerden, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet, voor zover van belang, in de aanleg van een groen-blauwe zone op het grondgebied van de gemeente Moordrecht, thans: gemeente Zuidplas.

2.3. [appellante] exploiteert op het perceel aan de [locatie] een paardenhouderij en stelt dat zij onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad, nu haar paardenhouderij gedeeltelijk is wegbestemd. [appellante] houdt thans 13 paarden, maar de stallen bieden ruimte voor ongeveer 45 paarden. De gronden waarop de stallen en de bedrijfswoning zijn gesitueerd hebben de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)". Deze gronden bieden volgens [appellante] te weinig ruimte om een productiegerichte paardenhouderij uit te oefenen, onder meer nu deze gronden geen grasland omvatten dat nodig is voor het weiden van de paarden en voor de oogst van hooi. In een nader stuk heeft [appellante] in dit verband aangevoerd dat de gebruiksmogelijkheden van haar perceel zodanig worden beperkt als gevolg van het plan dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat meer recht zou worden gedaan aan haar belangen indien aan de gronden met opstallen een woonbestemming zou worden toegekend, nu de gronden met een dergelijke bestemming verkoopbaar zijn.

2.3.1. Aan de gronden rondom de woning en bedrijfsbebouwing van [appellante] zijn natuurbestemmingen toegekend in het kader van de realisering van een groen-blauwe zone die is bedoeld voor onder meer waterberging, natuurcompensatie en recreatie.

Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de bestaande bedrijfsvoering van [appellante] niet wordt beperkt, nu aan de gronden ter plaatse van de paardenhouderij van [appellante] de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" is toegekend. De stelling dat het bedrijf normaliter groter is heeft [appellante] niet onderbouwd, aldus het college.

Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd in het nadere stuk kan volgens het college en de raad niet in deze procedure worden betrokken, omdat [appellante] de verkoopbaarheid van haar gronden niet in haar zienswijze naar voren heeft gebracht. Overigens is een woonbestemming niet passend binnen de voorziene groen-blauwe zone, aldus het college en de raad.

2.3.2. Ingevolge artikel 4, lid 1.1, aanhef en onder a en c, van de planvoorschriften, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, zijnde een productiegerichte paardenhouderij, met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste één bedrijf en één bedrijfswoning is toegestaan en zijn deze gronden tevens bestemd voor recreatief medegebruik in de vorm van extensieve dagrecreatieve voorzieningen en kleinschalige horecagelegenheid.

2.3.3. In de plantoelichting staat dat thans sprake is van een beperkte bedrijfsvoering op het perceel [locatie] en dat een grotere paardenhouderij op grond van de geldende vergunning niet mogelijk is en ook niet mogelijk kan worden gemaakt.

2.3.4. In 1992 is een Hinderwetvergunning verleend voor de paardenhouderij, welke niet is gebonden aan een aantal paarden. De Hinderwet gold tot het moment van inwerkingtreding van de Wet Milieubeheer op 1 maart 1993.

Ingevolge artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, zoals dit gold ten tijde van belang, kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van die wet.

Ingevolge artikel 1.4, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, is dit besluit van toepassing op inrichting type C.

Ingevolge artikel 1.2 wordt onder meer onder inrichting type C verstaan een inrichting die een landbouwinrichting is.

Ingevolge artikel 1.1 is een landbouwinrichting een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm).

Ingevolge artikel 2, van het Blm, is dit besluit van toepassing op een paardenhouderij.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder ab, wordt onder een paardenhouderij verstaan een inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van paarden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder f, is het Blm niet van toepassing op paardenhouderijen waarin meer dan 50 paarden worden gehouden.

2.3.5. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit leidt ertoe dat besluitonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden. Nadere gronden ter onderbouwing van een ingebrachte zienswijze kunnen echter nog in de beroepsfase naar voren worden gebracht. In de beroepsfase kunnen derhalve gronden worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de fase van de zienswijze, zolang zij op een besluitonderdeel zien dat reeds in de zienswijze is bestreden. Dat laat onverlet dat zij buiten beschouwing moeten worden gelaten indien een goede procesorde dat in een concreet geval vereist.

In dit geval heeft [appellante] in het nadere stuk een grond aangevoerd ter verdere onderbouwing van haar beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" waarop ook haar zienswijze betrekking had. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze grond dusdanig laat is aangevoerd dat de raad daarop niet op passende wijze heeft kunnen reageren. De Afdeling volgt het college en de raad dan ook niet in hun betoog dat deze grond van [appellante] om die reden buiten beschouwing moet worden gelaten.

De Afdeling stelt vast dat bij de voorbereiding van het plan is uitgegaan van de veronderstelling dat [appellante] haar bestaande bedrijfsvoering niet kan uitbreiden op grond van de voor de paardenhouderij verleende vergunning. Uit het wettelijk kader zoals opgenomen onder 2.3.4 volgt evenwel dat een paardenhouderij met maximaal 50 paarden niet langer vergunningplichtig is, maar valt onder de werking van het Blm. Voorts is niet in geschil dat de exploitatie van een paardenhouderij met maximaal 50 paarden onder het vorige plan ter plaatse mogelijk was en dat dit onder het voorliggende plan op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" feitelijk niet langer mogelijk is. Voorts heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] haar huidige bedrijfsvoering kan voortzetten op grond van het plan, nu het weiden van paarden feitelijk niet mogelijk is op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)". In dit verband overweegt de Afdeling dat de raad niet wordt gevolgd in het betoog dat het weiden van paarden geen onderdeel uitmaakt van de huidige bedrijfsvoering van [appellante]. De Afdeling acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" een productiegerichte paardenhouderij kan worden geëxploiteerd. Voor zover de raad erop wijst dat de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" tevens extensieve dagrecreatieve voorzieningen en kleinschalige horecagelegenheid toestaat, overweegt de Afdeling dat de bestemming dergelijk recreatief gebruik niet zelfstandig toestaat maar uitsluitend in de vorm van medegebruik bij een productiegerichte paardenhouderij.

Gelet op het vorenstaande en op de belangen van [appellante] is de Afdeling van oordeel dat het college de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)" niet in redelijkheid passend heeft kunnen achten.

2.3.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)". De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dat plandeel.

In het belang van partijen zal de Afdeling een termijn stellen waarbinnen de raad een nieuw besluit dient te nemen. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor genoemd plandeel niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden. Dit betekent in dit geval dat de raad een besluit tot vaststelling kan nemen zonder dat hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage behoeft te worden gelegd.

2.3.7. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 juni 2009, kenmerk PZH-2009-373981, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)", gelegen aan de [locatie];

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bouwblok (A-BB)", gelegen aan de [locatie];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het het onder III. genoemde plandeel betreft;

V. draagt de raad van de gemeente Zuidplas op om binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor het onderdeel genoemd onder II te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

472-668.