Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7934

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201103254/1/H1 en 201103254/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een halfvrijstaande woning aan de [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te Lage Mierde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103254/1/H1 en 201103254/2/H1.

Datum uitspraak: 10 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de

rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2011 in zaak nrs. 10/4087, 10/3521 en 10/3538 in het geding tussen:

[appellant],

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een halfvrijstaande woning aan de [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te Lage Mierde.

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2011, verzonden op 3 februari 2011, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 september 2010 vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en de primaire besluiten van 26 april 2010 geschorst tot zes weken na de dag waarop de nieuw te nemen beslissing op bezwaar bekend is gemaakt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2011.

Bij besluit van 22 maart 2011, dat is aangevuld bij besluit van 29 maart 2011, heeft het college het door [appellant] tegen de besluiten van 26 april 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 26 april 2010 ingetrokken. Voorts heeft het college aan [vergunninghouders] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een halfvrijstaande woning aan de [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] te Lage Mierde.

Bij afzonderlijke brieven van 2 mei 2011, bij de rechtbank 's-Hertogenbosch ingekomen op 3 mei 2011, heeft [appellant] beroep ingesteld tegen de besluiten van 22 maart 2011 en 29 maart 2011 en de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de rechtbank het beroep- en verzoekschrift doorgezonden naar de Afdeling, waar ze zijn binnengekomen op 9 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door [appellant], werkzaam bij [adviesbureau], en het college, vertegenwoordigd door N. Ansems, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [vergunninghouders] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in art. 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2.3. De bouwplannen, die gezamenlijk voorzien in de bouw van een dubbel woonhuis, zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988".

2.4. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college gelet op artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet niet bevoegd was om bouwvergunningen voor het bouwplan te verlenen, omdat het college geen vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend. Nu de voorzieningenrechter het besluit van 21 september 2010, waarin de bouwvergunningen van 26 april 2010 zijn gehandhaafd, om deze reden heeft vernietigd en deze bouwvergunningen heeft geschorst tot zes weken na de dag waarop het college een nieuw te nemen besluit op bezwaar bekend heeft gemaakt, heeft [appellant] geen belang bij een oordeel van de voorzitter over de door hem aangevoerde beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 september 2010 gegrond is verklaard. Deze hoger beroepsgronden kunnen immers niet leiden tot een voor hem gunstiger resultaat. Omdat [appellant] in hoger beroep tevens de hoogte van de door de voorzieningenrechter uitgesproken proceskostenveroordeling bestrijdt, wordt evenwel procesbelang aangenomen.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter tot een onjuiste berekening van de hoogte van de proceskosten is gekomen. Hiertoe voert hij aan dat de werkelijk gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting hoger zijn en de voorzieningenrechter ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het college te veroordelen in vergoeding van de gemaakte kosten van door een derde verleende rechtsbijstand en de verletkosten.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 11,43 heeft uitgesproken, zijnde de reiskosten die [appellant] heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van de voorzieningenrechter op 20 januari 2011.

In aanmerking genomen dat de hoogte van de te vergoeden reiskosten op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in dit geval gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer laagste klasse, komt een bedrag van € 12,31 voor vergoeding van gemaakte reiskosten in aanmerking.

De voorzieningenrechter heeft voorts ten onrechte de verletkosten van [appellant] buiten beschouwing gelaten bij de proceskostenveroordeling. Vast staat dat [appellant] in beroep om vergoeding van verletkosten heeft verzocht, maar dat de opgegeven verletkosten niet zijn onderbouwd. De voorzieningenrechter had, nu de verletkosten zijn aan te merken als redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb en voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan een proceskostenveroordeling met betrekking tot de verletkosten achterwege moest blijven, aanleiding moeten zien om de verletkosten op een forfaitair bedrag vast te stellen.

De voorzieningenrechter heeft de kosten van de door [appellant] verleende rechtsbijstand terecht buiten beschouwing gelaten bij de proceskostenveroordeling. Nog daargelaten dat niet is gebleken of [appellant] over juridische scholing beschikt, kan [wederpartij] reeds niet worden aangemerkt als derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit, nu hij zelf met een nagenoeg gelijkluidend geschrift beroep heeft ingesteld tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunningen, waardoor hij zelf een belang heeft bij de procedure.

2.6. Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter het aan hem te vergoeden bedrag aan betaalde griffierechten te laag heeft vastgesteld, overweegt de voorzitter het volgende. De voorzieningenrechter heeft het college gelast aan [appellant] een bedrag van € 150,00 te vergoeden. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:84, vierde lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid om het college te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht ad € 150,00 in de voorzieningenprocedure te vergoeden. Nu geen hoger beroep open staat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening en de daaraan verbonden proceskostenveroordeling, dient deze hoger beroepsgrond buiten beschouwing te worden gelaten.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, stelt de voorzitter met inachtneming van het Besluit de aan [appellant] te vergoeden reiskosten in beroep vast op een bedrag van € 12,31 en de aan [appellant] te vergoeden verletkosten in beroep op een bedrag van € 27,24. Hierbij is in aanmerking genomen dat [appellant] de door hem gemaakte verletkosten niet met bewijsstukken heeft onderbouwd, zodat de voorzitter bij de bepaling van de vergoeding uitgaat van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit vermelde laagste forfaitaire vergoeding van € 4,54 per uur. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt komen derhalve uit op € 39,55. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.8. Bij besluiten van 22 maart 2011 en 29 maart 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Onder verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) heeft het college opnieuw bouwvergunningen verleend voor realisering van de bouwplannen. Deze besluiten worden ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [appellant] van rechtswege een beroep tegen deze besluiten is ontstaan, nu daarbij aan zijn bezwaren niet is tegemoetgekomen.

2.9. Het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de Woningwet zoals die gold voor 1 juli 2008, faalt. De omstandigheid dat het verzoek om vrijstelling is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) op 1 juli 2008 en daarop derhalve de WRO van toepassing is, leidt niet tot dit oordeel. De aanvraag om bouwvergunning is ingediend na 1 juli 2008 en moet ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro worden afgewikkeld onder het regime van de na inwerkingtreding van de Wro gewijzigde Woningwet.

2.10. Anders dan [appellant] betoogt, leidt de omstandigheid dat het bestemmingsplan ouder is dan 20 jaar niet tot het oordeel dat het college niet bevoegd is om vrijstelling hiervan te verlenen, nu de WRO noch een andere rechtsregel zich hiertegen verzet.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag liggende voorbereidingsbesluit van 1 maart 2011 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, nu het voorbereidingsbesluit ter inzage is gelegd en van dit besluit op 4 maart 2011 kennis is gegeven in de Staatscourant alsmede het plaatselijke weekblad "D'n Uitkijk". Voorts is van het voorbereidingsbesluit mededeling gedaan op de gemeentelijke website.

2.11. Het betoog van [appellant] dat het college het besluit tot verlening van vrijstelling ten onrechte niet heeft genomen binnen twee weken na de inwerkingtreding van de door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant afgegeven verklaring van geen bezwaar, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. De in artikel 19a, elfde lid, van de WRO gestelde termijn van twee weken betreft een termijn van orde, zodat het voor de rechtmatigheid van het nadien genomen vrijstellingsbesluit geen gevolgen heeft.

2.12. Het betoog van [appellant] dat het besluit van 29 maart 2011 niet in het plaatselijk weekblad "D'n Uitkijk" is bekend gemaakt, leidt evenmin tot het daarmee beoogde doel. Nu van de zijde van [appellant] van rechtswege een beroep is ontstaan tegen deze besluiten, is hij niet in zijn belangen geschaad door de omstandigheid dat het college, wat daarvan ook zij, het besluit van 29 maart 2011 niet op juiste wijze heeft gepubliceerd in het plaatselijk weekblad "D'n Uitkijk".

2.13. [appellant] betoogt tevergeefs dat het college onbehoorlijk heeft gehandeld door te kiezen voor het verlenen van vrijstelling, terwijl voor het gebied een bestemmingsplanprocedure in gang is gezet. De wetgever heeft in artikel 19 van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. In de omstandigheid dat voor het gebied een nieuw bestemmingsplan in ontwikkeling is wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college geen gebruik mocht maken van de in de WRO verleende bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.14. [appellant] betoogt voorts dat de bouwplannen in strijd zijn met provinciaal en gemeentelijk beleid. Hij voert daartoe aan dat de bouwplannen zijn gelegen in de Groene Hoofdstructuur. Voorts voert hij aan dat in het provinciaal beleid is bepaald dat gebruikmaking van inbreidingslocaties voor woningbouw dient te prevaleren boven uitbreidingen van de bestaande woonkernen. Verder voert [appellant] aan dat de ingetekende zichtlijnen op de detailkaart van Lage Mierde in de StructuurvisiePlus teniet zullen worden gedaan door realisering van de bouwplannen.

2.14.1. De bouwplannen zijn, anders dan [appellant] betoogt, niet gelegen in een gebied dat door de provincie is aangeduid als Groene Hoofdstructuur. Volgens het provinciaal beleid dient nieuwe bebouwing zoveel mogelijk te worden gerealiseerd op inbreidingslocaties. De omstandigheid dat in Lage Mierde, naar niet in geschil is, enkele inbreidingslocaties aanwezig zijn, brengt echter niet zonder meer mee dat realisering van woningbouw elders niet mogelijk is. In aanmerking nemende dat het college te kennen heeft gegeven dat de aanwezige inbreidingslocaties wel benut zullen worden en uit de verklaring van geen bezwaar van 17 februari 2009 blijkt dat het college van gedeputeerde staten de bouwplannen in overeenstemming met het provinciaal planologisch beleid acht, bestaat geen grond voor het oordeel dat de bouwplannen in strijd zijn met het provinciaal beleid.

Nu het college onweersproken heeft gesteld dat de bedoelde zichtlijnen uitsluitend betekenen dat uitbreiding van woningbouw niet tot aan de bestaande bebouwing in het zuiden van Lage Mierde mag plaats vinden, en daarvan in dit geval geen sprake is, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de bouwplannen in strijd zijn met de StructuurvisiePlus.

2.15. Het betoog van [appellant] dat het college geen vrijstelling kon verlenen, omdat hij ten gevolge van de illegale ophoging van de bouwpercelen en het ontbreken van een waterberging wateroverlast ondervindt, slaagt niet. Nog daargelaten dat van illegale ophoging van de twee bouwpercelen niet is gebleken en in de aan de vrijstelling ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing "Kleine Hassel, Lage Mierde, 10 woningen" van 4 september 2008 de voorwaarde is gesteld dat het hemelwater geïnfiltreerd moet worden in de bodem en het gemeentebestuur voornemens is om naast de bestaande sloten hiervoor een retentievoorziening aan te leggen, bestaat geen reden om aan te nemen dat de realisering van twee woningen tot zodanige wateroverlast voor [appellant] zal leiden dat het college hierin aanleiding had moeten vinden de vrijstelling te weigeren.

2.16. Voor zover [appellant] met de stelling dat de berekening van de geurbelasting van in de nabijheid van de bouwplannen aanwezige agrarische bedrijven niet juist is en onvoldoende duidelijk is of het college voor andere bedrijven de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" in acht heeft genomen, beoogt te betogen dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat ter plaatse van de bouwplannen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gegarandeerd, overweegt de voorzitter het volgende.

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld welke bedrijven met een geurcirkel in de nabijheid van de te realiseren bouwplannen aanwezig zijn. Met behulp van V-Stacks berekeningen is vastgesteld in hoeverre deze bedrijven van invloed zijn op de locatie van de bouwplannen. Geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat deze berekeningen onjuist zijn, nu het college onweersproken heeft gesteld dat op de door [appellant] genoemde locaties, die naar hij stelt ten onrechte niet in de berekening zijn meegenomen, slechts hobbymatige activiteiten plaats vinden dan wel bedrijven zijn gevestigd waar geen vee wordt gehouden.

Nog daargelaten dat de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden niet bindend zijn voor het college, wordt in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd evenmin aanleiding gevonden om te twijfelen aan de stelling van het college dat is voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden tussen de voorziene woningen en de in de buurt aanwezige bedrijven. Het betoog faalt.

2.17. Het betoog van [appellant] dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de uitvoering van de bouwplannen financieel haalbaar is, faalt eveneens. Nu de percelen, waarop de bouwplannen zijn voorzien, zijn verkocht en de eigenaren de gronden op eigen kosten zullen gaan bebouwen, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet financieel uitvoerbaar is.

2.18. Uit vorenstaande volgt dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.19. Het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 22 maart 2011 en 29 maart 2011 is ongegrond.

2.20. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.21. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld die [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt. Hierbij is in aanmerking genomen dat [wederpartij], zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleend en de door [appellant] opgegeven verletkosten niet zijn onderbouwd, zodat deze moeten worden gesteld op 6 x € 4,54 = € 27,24. De reiskosten worden gesteld op € 32,91. Het totaal aan proceskosten in beroep en hoger beroep is € 99,70.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2011 in zaak nrs. 10/4087, 10/3521 en 10/3538, voor zover het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden daarbij is veroordeeld in de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het beroep, begroot op € 11,43;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. wijst het verzoek af;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 99,70 (zegge: negenennegentig euro en zeventig cent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011

17-604.