Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7931

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201009656/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Franeker (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009656/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Franeker, gemeente Franekeradeel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 augustus 2010 in zaak nr. 09/2921 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Franeker (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 augustus 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2011, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. la Crois, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. I. Grijpma, advocaat te Leeuwarden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120.

Ingevolge dat lid, aanhef en onder b, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120.

Ingevolge artikel 56a, derde lid, mag slechts en moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

2.2. Het bouwplan bestaat uit het oprichten van een woning op het perceel. [appellant] is eigenaar en bewoner van het naastgelegen perceel.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, nu de woning niet bereikbaar is voor hulpdiensten en rolstoelgebruikers. Voorts voert hij aan dat niet voldaan wordt aan de artikelen 3.63 en 3.134 van het Bouwbesluit 2003, nu de in het bouwplan voorziene woning op minder dan twee meter afstand van de perceelsgrens ligt.

2.3.1. Aangezien, naar niet is weersproken, voor de hier aan de orde zijnde gebruiksfunctie geen voorschrift is aangewezen in tabel 4.3, is ingevolge artikel 4.3, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 de in het eerste lid van dat artikel neergelegde eis, dat een bouwwerk voldoende toegankelijk is voor rolstoelgebruikers, niet van toepassing. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 4.3, eerste lid. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet weersproken is dat de woning drie toegangen heeft waarbij rolstoelgebruikers de woning kunnen betreden en verlaten. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwwerk voldoet aan artikel 4.16, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan [appellant] stelt, voormelde bepalingen niet zien op de toegankelijkheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten.

Het standpunt van [appellant], dat de woning niet voldoet aan de artikelen 3.63 en 3.134 van het Bouwbesluit 2003, slaagt evenmin, reeds omdat uit de bij de bouwvergunning tweede fase behorende situatietekening kan worden afgeleid dat vergunning is verleend voor een woning die is gelegen op in ieder geval 2 m afstand van de perceelsgrens. Dat, naar [appellant] stelt, uit veldwerktekeningen van het kadaster blijkt dat die afstand minder is dan 2 m, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, nu in deze procedure niet de feitelijke maar de vergunde afstand van belang is. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat ook in zoverre geen strijd bestaat met het bepaalde in het Bouwbesluit.

Het betoog faalt.

2.4. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot de bereikbaarheid van de woning ziet op voorschriften van stedenbouwkundige aard van de bouwverordening van de gemeente Franekeradeel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat die voorschriften ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet niet van toepassing zijn op een bouwvergunning tweede fase.

2.5. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de in het bouwplan voorziene woning is uitgevoerd in afwijking van de verleende bouwvergunning, heeft dat betoog geen betrekking op een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Daarin is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college de bouwvergunning tweede fase terecht heeft verleend.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

457-627.