Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201008210/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een loods op het perceel tussen Baanhoek 471 en 479 te Sliedrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008210/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sliedrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 juli 2010 in zaak nr. 09/331 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een loods op het perceel tussen Baanhoek 471 en 479 te Sliedrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat is gericht tegen de vrijstelling, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door [appellant] zijn nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2011, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. van der Meer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ten tijde van de besluitvorming geldende bestemmingsplan "Baanhoek-West". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, voor zover dat ziet op de verleende vrijstelling, nu het bouwplan in overeenstemming is met het inmiddels onherroepelijk geworden bestemmingsplan "1e partiële herziening Baanhoek-West". Volgens hem is het bouwplan in strijd met de partiële herziening, nu de maximale hoogte wordt overschreden.

2.2.1. Ingevolge de partiële herziening rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden en bedrijfsdoeleinden -W+B(a)-" met de nadere aanduiding "Opslagloods (OL)".

Ingevolge artikel III.3., lid B, onder I, aanhef en onder f, van de voorschriften van de partiële herziening, voor zover thans van belang, mag ter plaatse van de aanduiding "Opslagloods (OL)" een opslagloods worden gebouwd voor hobbymatige opslag, zoals een boot, tot een hoogte van 5,5 m.

2.2.2. Het bouwplan voorziet in een loods met een nokhoogte van 7 m. Nu ingevolge artikel III.3., lid B, onder I, aanhef en onder f, van de voorschriften van de partiële herziening een opslagloods mag worden gebouwd tot een hoogte van 5,5 m, heeft [appellant] zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de partiële herziening en hij derhalve ook wat de vrijstelling betreft belang heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep. De rechtbank heeft het beroep in zoverre dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

2.3. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.4. [appellant] betoogt dat aan de verleende vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Volgens hem past de loods wat betreft grootte, functie en situering niet bij de bestaande bebouwing.

2.4.1. In de "Ruimtelijke onderbouwing voor oprichten loods op locatie nabij Baanhoek 479" en het besluit op bezwaar heeft het college gemotiveerd dat het bouwplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Daarbij heeft het college onder meer gewezen op de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan "Baanhoek-West" en de partiële herziening bieden voor zowel het perceel als percelen in de omgeving. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat het bouwplan wat betreft grootte, functie en situering niet in de omgeving past, maar heeft geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college. De enkele stelling dat de in de omgeving voorziene ontwikkelingen slechts betrekking hebben op de bouw van woningen, is daarvoor onvoldoende, nu niet valt in te zien dat de omvang van de loods en het krachtens de vrijstelling toegestane gebruik daarvan ten behoeve van hobbymatige doeleinden op gespannen voet staan met die ontwikkelingen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat aan de vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van de vrijstelling en de bouwvergunning in de weg staat, nu de loods op de erfgrens is opgericht.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1/H1), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezen rechter om de vraag te beantwoorden, of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.5.2. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat het vergunde bouwplan voorziet in een loods die deels is gelegen op gronden die in eigendom zijn van [appellant]. Reeds daarom doet vorenbedoelde privaatrechtelijke belemmering zich niet voor. Voor zover [appellant] stelt dat de loods in afwijking van de verleende vrijstelling en bouwvergunning feitelijk wel deels op zijn perceel wordt opgericht, betreft dat een kwestie van handhaving die in deze procedure niet ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

2.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog ongegrond verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 juli 2010 in zaak nr. 09/331, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

457-627.