Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201005440/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2008 heeft het college aan Kristal Projectontwikkeling ontheffing van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling en de functie van een bijeenkomstfunctie naar logiesfunctie van het pand op het perceel Overblaak 56 te Rotterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005440/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van Eigenaars Paalwoningen en Bedrijfsruimten Blaak en anderen (hierna: de Vereniging van Eigenaars en anderen), gevestigd dan wel wonend te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2010 in zaak nr. 09/1676 in het geding tussen:

de Vereniging van Eigenaars en anderen, [wederpartij] en Bewonerscomité Overblaak

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2008 heeft het college aan Kristal Projectontwikkeling ontheffing van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling en de functie van een bijeenkomstfunctie naar logiesfunctie van het pand op het perceel Overblaak 56 te Rotterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het college aan Kristal Projectontwikkeling sloopvergunning verleend voor het gedeeltelijk slopen van de indeling van het pand op het perceel.

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de door de Vereniging van Eigenaars en anderen tegen de besluiten van 4 september 2008 en 22 oktober 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2010, verzonden op 21 april 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de Vereniging van Eigenaars en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Vereniging van Eigenaars en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Stichting Woonbron (hierna: Woonbron) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging van Eigenaars en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2010, waar de Vereniging van Eigenaars en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.G. Wakelkamp, advocaat te Utrecht, [3 gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.K.T. Schrantee en A.I. van Duin, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar Woonbron, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, M. Treffers en ing. M.P. Polkamp, en Stichting Exodus Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton en J. van de Meent, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 2 februari 2011, nr. 201005440/1/T1/H1, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen tien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 14 april 2009 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 2.13 van die tussenuitspraak, het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak vrijstelling en ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Rotterdam 1993 (hierna: de bouwverordening) onderscheidenlijk artikelen 4.24, tweede lid, 4.21, eerste lid, en 4.49, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit.

Bij brief van 9 mei 2011 hebben de Vereniging van Eigenaars en anderen een zienswijze ingediend over het besluit van 5 april 2011.

Bij brief van 5 mei 2011 heeft Woonbron en bij brief van 9 mei 2011 heeft de Stichting Exodus gereageerd op het besluit van 5 april 2011.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 14 april 2009, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008, is genomen in strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, artikelen 4.24, tweede lid, 4.21, eerste lid, 4.49, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen de gebreken in het besluit van 14 april 2009 te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2.2. Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder d, van de bouwverordening vrijstelling en ontheffing als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit verleend. Dit besluit wordt, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.3. De Vereniging van Eigenaars en anderen betogen dat het college niet met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder d, van de bouwverordening vrijstelling heeft mogen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat met de verwezenlijking van het bouwplan geen bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid, aangezien er andere, minder bezwaarlijke locaties mogelijk zijn.

2.3.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw, in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte, bestemd voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen, dan wel in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en of lossen van goederen daartoe aanleiding geeft, in deze behoefte in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het daarbij behorende onbebouwd blijvende terrein in voldoende mate zijn voorzien.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid indien:

a. uit een door de aanvrager van een bouwvergunning over te leggen parkeerbalans blijkt dat op eigen terrein door middel van dubbelgebruik voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn;

b. de aanvrager van een bouwvergunning de parkeereis door middel van een parkeereisovereenkomst financieel compenseert en met de verwezenlijking van het bouwplan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk belang is gemoeid;

c. er sprake is van een totale gebiedsontwikkeling en naar het oordeel van burgemeester en wethouders een gemeentelijk belang rechtvaardigt dat op straat parkeerplaatsen worden aangelegd uit de grondopbrengst;

d. de onderdelen a tot en met c zich niet voordoen en naar het oordeel van burgemeester en wethouders met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid.

2.3.2. Het college komt bij de uitleg van het begrip "bijzonder gemeentelijk belang", dat niet is gedefinieerd in de bouwverordening, beoordelingsruimte toe. Het college heeft in het besluit van 5 april 2011 aangegeven dat het perceel vanwege de gunstige ligging zeer geschikt is voor resocialisatie van ex-gedetineerden en dat het met het bouwplan beoogde gebruik bijdraagt aan de kwaliteit van de woonomgeving, mede omdat er anders gevaar voor leegstand ontstaat. De niet nader onderbouwde stelling van de Vereniging van Eigenaars en anderen dat er andere, minder bezwaarlijke locaties mogelijk zijn, leidt, wat daarvan zij, niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. In hetgeen de Vereniging van Eigenaars en anderen hebben aangevoerd, is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening vrijstelling mocht verlenen.

2.4. Voorts betogen de Vereniging van Eigenaars en anderen dat het college ten onrechte met toepassing van artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit ontheffing heeft verleend van de artikelen 4.24, tweede lid, 4.21, eerste lid, en 4.49, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit. Daartoe voeren zij aan dat van die bepaling slechts gebruik gemaakt mag worden, indien het bouwplan niet met toepassing van artikel 1.5 van het Bouwbesluit kan worden toegestaan. Voorts achtten zij het verlenen van ontheffing onvoldoende gemotiveerd.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit behoeft aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit, zoals dat gold op 30 september 2010, kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven.

2.4.2. Geen grond bestaat voor het oordeel dat slechts met toepassing van artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit ontheffing kan worden verleend, indien het bouwplan niet met toepassing van artikel 1.5 van het Bouwbesluit kan worden toegestaan.

Het college heeft ter motivering van de ontheffing vermeld dat het gaat om marginale afwijkingen van de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit. Voorts heeft het college daartoe vermeld dat het pand op het perceel een zeer complex bouwwerk is en beperkingen genereert op het gebied van indelingsmogelijkheden, constructie en verdiepingshoogte. Omdat voor het gebruik als Exodushuis de focus ligt op de participatie van bewoners bij gemeenschappelijke bezigheden, is gekozen voor ruim bemeten gemeenschappelijke ruimten en compacte slaapkamers met sobere badruimten, aldus het college. De enkele stelling dat het besluit van het college tot het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit niet berust op een deugdelijke motivering, is, gelet op het vorenstaande, onvoldoende voor het oordeel dat het besluit van 5 april 2011 in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.5. Tot slot betogen de Vereniging van Eigenaars en anderen dat het college de gevraagde bouwvergunning diende te weigeren, nu voor het bouwplan ingevolge de gemeentelijke monumentenverordening een vergunning is vereist en deze niet is verleend.

2.5.1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen de gebreken in het besluit van 14 april 2009 te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Ingevolge artikel 8:51b, derde lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kunnen partijen hun zienswijze naar voren brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Nu dit betoog van de Vereniging van Eigenaars en anderen niet de wijze betreft waarop de gebreken aan het besluit van 14 april 2009 zijn hersteld, faalt dit.

2.6. Het hoger beroep is gezien de tussenuitspraak gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 april 2009, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 april 2009, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008, alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt in zoverre wegens strijd met 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, artikelen 4.24, tweede lid, artikel 4.21, eerste lid, en artikel 4.49, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. In verband met hetgeen onder 2.7. wordt overwogen behoeft niet opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008 te worden beslist. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 5 april 2011 is ongegrond.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2010 in zaak nr. 09/1676, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 april 2009, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 14 april 2009, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 14 april 2009, kenmerk A.B.2008.2.08442/EL, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2008;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2011 ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging van Eigenaars Paalwoningen en Bedrijfsruimten Blaak en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.633,00 (zegge: zestienhonderddrieëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan de vereniging Vereniging van Eigenaars Paalwoningen en Bedrijfsruimten Blaak en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 745,00 (zegge: zevenhonderdvijfenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

499.