Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201010042/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2010 heeft het college - voor zover te dezen van belang - een clusterplaats aangeduid met nummer WW060, gelegen aan de Boschplaat/hoek Schweitzerlaan in de wijk Westwijk van de gemeente Amstelveen, aangewezen voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/42 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/5008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010042/1/M1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amstelveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2010 heeft het college - voor zover te dezen van belang - een clusterplaats aangeduid met nummer WW060, gelegen aan de Boschplaat/hoek Schweitzerlaan in de wijk Westwijk van de gemeente Amstelveen, aangewezen voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 november 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P. van Veen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.R. Oudendijk en drs. ing. C.N. van Bergen Henegouw, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Amstelveen kan het college regels stellen omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden.

2.2. Bij het bepalen van de locaties van inzamelvoorzieningen als de onderhavige hanteert het college de volgende inrichtingscriteria:

- een doelmatige inrichting van de openbare ruimte (de volgorde van gebruik van openbare ruimte is: trottoir op rijweg, groenstrook, parkeerplaats. Een aanbiedplaats wordt waar mogelijk op of tegen een vrij stuk trottoir of de rijweg aangelegd. Indien geen trottoir of rijweg beschikbaar is wordt een parkeerplaats en/of groenstrook als aanbiedplaats aangewezen en ingericht);

- beperking van overlast voor de omgeving (de locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van trottoir- en weggebruikers);

- de verkeersveiligheid;

- de arbeidsbelasting voor de inzamelaars;

- financiële en inzamel logistieke aspecten en fysieke (on)mogelijkheden om aanbiedplaatsen in te richten;

- de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en de aanbiedplaats (in principe niet meer dan 75 meter).

2.3. [appellant] kan zich niet vinden in de aanwijzing van de genoemde locatie aan de Boschplaat/hoek Schweitzerlaan in de wijk Westwijk van de gemeente Amstelveen als clusterplaats voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT. [appellant] betoogt daartoe dat hij geurhinder, geluidoverlast en overlast van zwerfvuil van de afvalcontainers zal ondervinden, omdat de aangewezen locatie op een afstand van ongeveer één meter van zijn woning is gesitueerd en het aantal minicontainers van 25, waarvoor de clusterplaats is bedoeld, te groot is. Volgens [appellant] wordt de overlast in de toekomst nog erger, aangezien het college voornemens is op de locatie ook het papier in te zamelen. Bovendien is het besluit van 7 september 2010 volgens [appellant] niet gebaseerd op een juiste belangenafweging, omdat hij onevenredig zwaar wordt getroffen in vergelijking met andere bewoners in zijn straat, aangezien alleen in de nabijheid van zijn woning een locatie voor 25 minicontainers is vastgesteld. In dit verband voert hij aan dat in het verleden de 25 minicontainers verdeeld waren over vijf locaties in de straat.

2.3.1. Het college betoogt dat de aangewezen locatie aan de vastgestelde inrichtingscriteria voldoet. De locatie is op het trottoir gevestigd, belemmert de doorgang niet en veroorzaakt volgens het college geen verkeersonveilige situatie. Daarnaast levert de locatie zo min mogelijk arbeidsbelasting op voor de inzamelaars, aangezien de minicontainers in een rij kunnen worden opgesteld waardoor de vuilniswagen al het werk doet. De locatie is volgens het college, gelet op de grootte, efficiënt qua inzameling en belading en de afstand tussen de locatie en de percelen waar de afvalstoffen ontstaan, bedraagt niet meer dan 75 meter.

Het college heeft de aanvankelijk geplande locatie naar aanleiding van de ingediende zienswijzen één meter in zuidelijke richting verder weg van de woning van [appellant] opgeschoven. Het college betoogt dat verder opschuiven niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van een brandgang met verlaagd trottoir dat vrijgehouden dient te worden.

Het college acht het voorstelbaar dat [appellant] geurhinder en geluidoverlast ondervindt, maar gelet op het aantal dagen waarop de minicontainers er daadwerkelijk staan, te weten drie maal per veertien dagen, weegt dat niet op tegen het belang om een locatie vast te kunnen stellen die voldoet aan de inrichtingscriteria. Daarnaast betoogt het college dat mogelijke overlast voorkomen kan worden door adequate informatie over de wijze waarop de minicontainers dienen te worden aangeboden en door handhavend op te treden. Hiertoe zijn de minicontainers voorzien van een computerchip en een adressticker. Ter voorkoming van zwerfafval heeft het college de eis gesteld dat de minicontainers gesloten dienen te worden aangeboden en heeft het personeel de instructie gekregen om het afval dat naast het inzamelvoertuig valt op te ruimen.

2.3.2. Niet is betwist dat de door het college aangewezen locatie voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT voldoet aan de vastgestelde inrichtingscriteria. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college uit een oogpunt van efficiëntie in redelijkheid kunnen besluiten om één locatie voor de plaatsing van minicontainers aan te wijzen. De Afdeling acht het aannemelijk dat voor een inzamelsysteem waarbij gebruik gemaakt wordt van een vuilniswagen met zijlader, het meest efficiënt is om de 25 minicontainers in één rij te plaatsen. Dat door dit besluit [appellant] meer gevolgen van de aangewezen locatie zal ondervinden als andere bewoners van de straat, brengt niet zonder meer met zich dat het besluit onrechtmatig is.

Wat betreft de vrees van [appellant] dat hij geurhinder, geluidoverlast en overlast van zwerfvuil van de minicontainers zal ondervinden, acht de Afdeling het standpunt van het college aannemelijk dat deze vormen van overlast beperkt blijven, doordat de bewoners worden geïnformeerd over de wijze waarop de minicontainers dienen te worden aangeboden en doordat de minicontainers worden voorzien van een computerchip en een adressticker, waardoor het mogelijk is de eigenaren van deze minicontainers zo nodig op hun gedrag aan te spreken. Het optreden tegen toch ontstaan zwerfafval is evenwel een kwestie van handhaving. Dit staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Voor zover [appellant] betoogt dat de inzamelfrequentie van de minicontainers in de toekomst mogelijk wordt verhoogd, dient te worden geoordeeld dat het college hiermee bij het nemen van het besluit geen rekening behoefde te houden.

Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de clusterplaats aangeduid met nummer WW060, gelegen aan de Boschplaat/hoek Schweitzerlaan in de wijk Westwijk van de gemeente Amstelveen, heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT.

2.4. [appellant] betoogt dat het college onjuist en onzorgvuldig heeft gehandeld door verschillende, geschikte, alternatieve locaties in de straat zonder nadere motivering af te wijzen. Ter zitting heeft [appellant] het aantal in zijn ogen geschikte alternatieve locaties beperkt tot drie, te weten de even kant van de Boschplaat ter hoogte van de nummers 2 en 12, de groenstrook (middenberm) van de Boschplaat en de Boschplaat ter hoogte van de nummers 1 en 11.

2.4.1. Het college stelt dat [appellant] in zijn ingediende zienswijze in het geheel geen alternatieve locaties heeft genoemd. De door [appellant] naar voren gebrachte alternatieve locaties heeft het college alsnog beoordeeld en om verschillende redenen niet geschikt geacht. De locatie gelegen aan de even kant van de Boschplaat ter hoogte van de nummers 2 en 12 leidt volgens het college tot een inefficiënter inzamelsysteem, aangezien deze locatie niet op de inzamelroute van de vuilniswagen met zijlader ligt. De locatie gelegen aan de groenstrook (middenberm) van de Boschplaat voldoet volgens het college niet aangezien deze locatie zich aan de verkeerde kant van de zijlader van de vuilniswagen bevindt. Doordat de inzamelarm van de zijlader aan de rechterkant zit dienen de minicontainers volgens het college ook aan de rechterkant aangeboden te worden. De locatie gelegen aan de Boschplaat ter hoogte van de nummers 1 en 11 voldoet volgens het college niet aangezien op die locatie achterdoorgangen van woningen worden geblokkeerd.

2.4.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de door [appellant] naar vorengebrachte alternatieve locaties niet geschikt zijn.

2.4.3. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

159-678.