Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201004226/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Schoterlandseweg 2a Katlijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Activiteitenbesluit milieubeheer
Activiteitenbesluit milieubeheer 1.1
Activiteitenbesluit milieubeheer 2.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004226/1/R3.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te Katlijk, gemeente Heerenveen,

en

de raad van de gemeente Heerenveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Schoterlandseweg 2a Katlijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door P. de Boer, werkzaam bij Foppen Advies, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Doelman en T.B.J. Jansen, beiden werkzaam bij de gemeente, en Dipl.-Ing. H. Raetzer zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de vestiging van een landbouwmechanisatiebedrijf (hierna: het bedrijf) op het perceel Schoterlandseweg 2a in Katlijk.

2.2. [appellant] stelt dat het bedrijf op een te kleine afstand van zijn woning aan de [locatie] en de woningen aan de Schoterlandseweg 2 en 5a is gesitueerd. Hij voert hiertoe aan dat het bedrijf op een afstand van 13 m van zijn woning ligt, terwijl het bedrijf waarin het plan voorziet volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de Brochure) onder categorie 3 valt en daarmee op een minimale afstand van 50 m van een gevoelig object dient te worden gesitueerd. Van de Brochure mag weliswaar worden afgeweken, maar dan dient aan de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) gestelde geluidsnormen te worden voldaan, aldus [appellant]. Uit het ten behoeve van het plan uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt echter dat ten gevolge van het plan de in het Activiteitenbesluit gestelde maximale geluidniveaus op de gevel van de woningen op de percelen Schoterlandseweg 2 en 5a worden overschreden.

2.2.1. De raad stelt dat het akoestisch onderzoek niet is uitgevoerd om het plan te toetsen aan het Activiteitenbesluit, maar om te bezien of het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Vanwege het verkeerslawaai op de Schoterlandseweg is volgens de raad sprake van een relatief hoog achtergrondniveau. Gelet hierop en op de in het akoestisch onderzoek berekende geluidsbelastingen vanwege het bedrijf is het plandeel volgens de raad niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.2.2. Niet in geschil is dat op het bedrijf, wanneer dat ter plaatse gevestigd zal zijn, het Activiteitenbesluit van toepassing zal zijn.

Ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, worden onder gevoelige gebouwen woningen verstaan.

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, mag het maximale geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting vanwege het in werking zijn van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2.3. Voor een bedrijf voor dienstverlening ten behoeve van de landbouw, zoals een landbouwmechanisatiebedrijf, beveelt de Brochure in geval van een bedrijfsoppervlak van meer dan 500 m2, een afstand van 50 m tot een milieugevoelige functie, zoals een woning, in een rustig buitengebied aan. De afstand tussen het bedrijf en de dichtstbijzijnde woning, te weten de woning van [appellant], die in een dergelijk gebied is gelegen, bedraagt ongeveer 20 m. De in de Brochure aangegeven afstanden zijn evenwel indicatief. De raad kan van een dergelijke richtafstand gemotiveerd afwijken. In dit geval heeft de raad het afwijken van de afstand van 50 m gemotiveerd door onder meer te verwijzen naar het rapport "Akoestisch onderzoek (prognose) [bedrijf] te Katlijk" (Servicebureau De Friese Wouden, 2009; hierna: het rapport). Volgens het rapport is ten gevolge van het bedrijf geen overschrijding te verwachten van de bij het Activiteitenbesluit gestelde geluidgrenswaarden op de gevel van de woning van [appellant].

2.2.3.1. [appellant] stelt dat bij het rapport ten onrechte niet de indirecte geluidhinder als gevolg van het bedrijf is berekend, mede gelet op de korte afstand tussen de woning van [appellant] en het bedrijf.

2.2.3.2. De raad stelt dat een berekening van de indirecte geluidhinder achterwege mocht blijven, nu het geringe aantal voertuigen dat het bedrijf bezoekt, wegvalt tegen het veel drukkere verkeer op de Schoterlandseweg.

2.2.3.3. Uit het rapport volgt dat per dag 5 vrachtwagens, 10 trekkers en 5 personenauto's of bestelbusjes het bedrijf bezoeken. De Schoterlandseweg, waaraan het bedrijf zal zijn gelegen, is een provinciale weg die ook wordt gebruikt door het verkeer van en naar de Rijksweg A32. Nu blijkens het verhandelde ter zitting op de Schoterlandseweg per etmaal 5.700 motorvoertuigen passeren, heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, gelet op het geringe aantal bezoekende voertuigen ten opzichte van het aantal voertuigen dat ter plaatse over de Schoterlandseweg rijdt, in deze procedure een onderzoek naar indirecte geluidhinder achterwege kan blijven.

2.2.3.4. [appellant] betoogt dat het rapport tegenstrijdigheden en onvolledigheden bevat. Hiertoe voert hij aan dat in het rapport niet is uitgesloten dat 's nachts bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, maar dat de geluidsbelasting daarvan niet is berekend in het akoestisch model. Voorts worden volgens [appellant] in het rapport bedrijfsbussen genoemd die van en naar het bedrijf rijden, maar is in het rapport enkel gerekend met het bronvermogen van personenauto's. Volgens hem is in het rapport ten onrechte gerekend met een glaspartij van 14,4 m2, terwijl in het rapport wordt gesproken van een glaspartij van 20 m². Voorts is in het rekenmodel in het rapport ten onrechte geen rekening gehouden met de geluidsbelasting van landbouwmechanisatievoertuigen als combines en shovels, aldus [appellant]. Wegens het ontbreken van een omschrijving van de materialen van het dak en de gevels van het bedrijf, is volgens hem verder geen controle mogelijk op de in het rapport gehanteerde reductiewaarden. Ten slotte blijkt uit het model ten onrechte niet hoe het bedrijfspand geventileerd wordt, nu in het rekenmodel is gerekend met gesloten ramen, aldus [appellant]. Volgens hem dient bij zowel natuurlijke als bij mechanische ventilatie een ventilatiebron opgenomen te worden in het rekenmodel. Tot slot stelt [appellant] dat de raad zich bij de vaststelling van het plan ten onrechte op het onderzoek heeft gebaseerd, nu het plan meer mogelijk maakt dan waar in het onderzoek van uit is gegaan. Ten onrechte is volgens hem geen rekening gehouden met een toekomstige uitbreiding van het bedrijf of verandering van de situatie ter plaatse.

2.2.3.5. De raad stelt dat de door [appellant] aan de orde gestelde tegenstrijdigheden en onvolkomenheden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het rapport niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd. Volgens de raad is het bedrijf alleen in de dagperiode actief, behoudens incidentele situaties. Voorts levert een bedrijfsbusje ten opzichte van een personenauto volgens de raad niet een zodanig hogere geluidsbelasting op dat deze afzonderlijk diende te worden meegenomen in het akoestisch rapport. Ten aanzien van de in het akoestisch rekenmodel betrokken glaspartij van 20 m² erkent de raad dat deze weliswaar met 5 m² afwijkt van de in het bouwplan opgenomen glaspartij van 15 m², maar dat deze afwijking van zo'n beperkte invloed is op de geluidbelasting dat van de conclusies van het rapport mocht worden uitgegaan. Bij nieuwe berekeningen zijn aan beide zijden van het bedrijf twee extra glasbronnen in het rekenmodel geplaatst. Dit levert volgens de raad ten opzichte van het rapport een verwaarloosbaar verschil op. Volgens de raad hoefde voorts geen rekening te worden gehouden met de reparatie van combines, nu deze worden gebruikt voor akkerbouw en in het verzorgingsgebied van het bedrijf overwegend sprake is van veeteelt. De gegevens van de materialen van het dak en de gevels en de ventilatie zijn volgens de raad niet in het akoestisch onderzoek betrokken nu het een onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening betreft en in die fase dergelijke details nog niet waren uitgewerkt. Overigens is volgens de raad in het onderzoek gerekend met garagedeuren die gedurende 1 uur openstaan op een totale bedrijfsduur van 9 uur. Ten slotte stelt de raad dat met een uitbreiding van het bedrijf geen rekening is gehouden, nu het plan hier niet in voorziet.

2.2.3.6. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de raad gegeven weerlegging van de door [appellant] gestelde gebreken onjuist is. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet had mogen baseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zowel de beroepsgronden over de materialen van het dak en de gevels als die over de ventilatie van het bedrijfsgebouw geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kunnen komen. Het betoog van [appellant] dat de raad het afwijken van de in de Brochure genoemde richtafstand niet heeft kunnen motiveren door te verwijzen naar het rapport faalt.

2.2.4. Gezien het vorenstaande bestaat geen reden te twijfelen over de in het rapport berekende geluidsbelasting op onder meer de gevel van de woning van [appellant].

Over het betoog van [appellant] over de afstand van het bedrijf tot de woningen aan de Schoterlandseweg 2 en 5a overweegt de Afdeling als volgt. De woningen staan op een afstand van ongeveer 30 m van het bedrijf. Uit het rapport volgt dat de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau in de avond- en nachtperiode op de gevel van die woningen vanwege het bedrijf zouden kunnen worden overschreden. Volgens het rapport zullen overschrijdingen van de grenswaarde voor het maximaal geluidsniveau in de avondperiode alleen optreden wanneer er verkeersbewegingen met trekkers of vrachtwagens plaatsvinden. Als sprake is van een rustige rijstijl, een stiller model trekker wordt gebruikt dan waar bij de berekeningen vanuit is gegaan of als er alleen personenauto’s aankomen en vertrekken, kan het bedrijf ook in de avondperiode voldoen aan de normstelling voor het maximaal geluidsniveau. Uit het rapport volgt voorts dat de grenswaarde voor het maximale geluidsniveau in de nachtperiode zal worden overschreden, indien vrachtwagens het terrein van het bedrijf in de nachtperiode bezoeken, hetgeen evenwel niet de bedoeling is. Tot slot volgt uit het rapport dat op de gevel van de woning Schoterlandseweg 2 in de dagperiode de grenswaarde voor het maximale geluidsniveau met 1 dB(A) zal worden overschreden.

In het rapport wordt weliswaar gewezen op mogelijke overschrijdingen van de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau in de avond- en nachtperiode op de gevel van de woningen Schoterlandseweg 2 en 5a, maar met de in het rapport aangedragen aanpassingen aan de bedrijfsvoering kunnen deze worden voorkomen. Over de overschrijding van de grenswaarde voor het maximale geluidsniveau op de gevel van de woning Schoterlandseweg 2 in de dagperiode overweegt de Afdeling dat die overschrijding zo gering is dat niet valt in te zien dat door het treffen van maatregelen de benodigde geluidsreductie niet kan worden behaald. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit zal kunnen worden voldaan. Voorts betreft naleving van die normen een kwestie van handhaving, die in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

2.2.5. Gezien het vorenstaande heeft de raad door onder meer te verwijzen naar het rapport in redelijkheid kunnen afwijken van de richtafstand van 50 meter die voor dit geval door de Brochure wordt aanbevolen.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

288-653.