Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201011302/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en lichte bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te Ermelo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011302/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ermelo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2010 in zaak nr. 09/1747 in het geding tussen:

[appellant]

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,

2. de raad van de gemeente Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en lichte bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te Ermelo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 september 2009 heeft de raad geweigerd vrijstelling te verlenen voor het vernieuwen van een schuur op het perceel.

Bij besluit van 29 september 2009 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 25 februari 2009 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de weigering om lichte bouwvergunning te verlenen, onder verwijzing naar het besluit van de raad van 3 september 2009, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Scholten, en het college, vertegenwoordigd door T. Boelens, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. C.R.A. Oosterveer, advocaat te Ermelo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met het derde lid, voor zover hier van belang, mag de lichte bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2. Op het perceel bevinden zich drie voormalige agrarische schuren en een woning. De woning is als bedrijfswoning opgericht, maar wordt door [appellant] thans gebruikt als burgerwoning. Het bouwplan voorziet in het geheel vernieuwen van een van de schuren.

Het geding spitst zich toe op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Driehoek" (hierna: het bestemmingsplan).

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat aan artikel 51, tweede volzin, van de planvoorschriften een aanspraak op een bouwvergunning kan worden ontleend.

2.3.1. Ingevolge artikel 51 van de planvoorschriften mogen in geval van beëindiging van een agrarisch bedrijf de voormalige bedrijfswoning en de gronden gelegen binnen het voormalig bouwperceel worden gebruikt als één woning met tuin en de overige gebouwen, die gelegen zijn binnen het bouwperceel, uitsluitend als bijgebouwen. In dat geval is de toegestane bebouwing beperkt tot het op het tijdstip van bedrijfsbeëindiging aanwezige bebouwing.

2.3.2. Niet in geschil is dat de eerste volzin van artikel 51 van de planvoorschriften uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van voormalige agrarische gebouwen. Het antwoord op de vraag of de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de tweede volzin van artikel 51 van de planvoorschriften een aanspraak op een bouwvergunning kan worden ontleend, kan, gelet op het navolgende, in het midden worden gelaten.

Anders dan [appellant] betoogt, biedt de tweede volzin van artikel 51 van de planvoorschriften immers in ieder geval geen aanknopingspunten om daaronder algehele vernieuwing van aanwezige bebouwing te begrijpen. In aanmerking genomen dat overgangsbepalingen ertoe strekken bescherming te bieden aan gevestigde belangen of rechten en gericht zijn op het overbruggen van een tijdelijke situatie, bestaat er geen aanleiding om die volzin zo uit te leggen dat algehele vernieuwing daaronder wel wordt begrepen. Aldus kan aan de tweede volzin van artikel 51 van de planvoorschriften geen aanspraak op algehele vernieuwing van de schuur worden ontleend. Dit betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht niet toegekomen aan de vraag of sprake is van bedrijfsbeëindiging ter plaatse.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

531-593.