Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201005026/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] opnieuw een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag van metalen, metaalfabricaten en afvalmetalen als secundaire grondstoffen en aanverwante materialen op het adres [locatie 1] te Mijdrecht. Dit besluit is op 7 april 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/644
Milieurecht Totaal 2012/6093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005026/1/M1.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [apppellant F], [appellante G]., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starclass Restauraties B.V. en [appellante H]. (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] opnieuw een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag van metalen, metaalfabricaten en afvalmetalen als secundaire grondstoffen en aanverwante materialen op het adres [locatie 1] te Mijdrecht. Dit besluit is op 7 april 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en R.L.Q. Maas, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M. Jansen, ing. G.C.M. Nortier, mr. M. Tilstra, ir. H.H.F. van de Ven en ir. F.H. de Vries, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J. de Haas, advocaat te Amsterdam, [directeur], en ing. R.J.C. Braams, als partij verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

2.2.1. Op 7 april 2010 is het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Derhalve liep de termijn, waarbinnen beroep kon worden ingediend, van 8 april 2010 tot en met 20 mei 2010. De brief, waarmee beroep is ingesteld door [appellant E], [appellant F], [appellante G], Starclass Restauraties B.V. en [appellante H], is bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2010. Gelet daarop is het beroep buiten de wettelijke termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht ingediend. Het beroep is, voor zover het door hen is ingesteld, niet-ontvankelijk.

Intrekking beroepsgrond

2.3. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond die betrekking had op de kennisgeving van het ontwerpbesluit, ingetrokken.

Voorgeschiedenis

2.4. Bij brief van 26 november 2007 heeft [vergunninghoudster] een aanvraag ingediend voor een milieuvergunning op het adres [locatie 1] te Mijdrecht. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vergunning verleend. Dit besluit is bij uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200807145/1/M1 door de Afdeling vernietigd omdat het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht was genomen. Naar het oordeel van de Afdeling had het college onvoldoende gemotiveerd dat ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] geen grenswaarden waren gesteld. Tevens had het college onvoldoende onderbouwd dat bij het kantoor aan de [locatie 2] van een gevelisolatie van 30 dB(A) kan worden uitgegaan en dat met een geluidgrenswaarde van 85 dB(A) voor de dag- en avondperiode een toereikend beschermingsniveau wordt geboden wat het piekgeluidniveau aangaat. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw aan [vergunninghoudster] vergunning verleend.

Procedureel

2.5. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.5.1. [appellant] stelt dat het aanvullende akoestisch rapport van 16 december 2009, dat in opdracht van het college door LBP is opgesteld, niet ter inzage heeft gelegen in het gemeentehuis van de gemeente De Ronde Venen. [appellant] stelt daardoor in haar belangen geschaad te zijn omdat hierdoor onvoldoende mogelijkheden waren om het aanvullende akoestisch rapport binnen de gestelde termijn te beoordelen en hierover een standpunt te formuleren.

2.5.2. Het college bestrijdt dat het aanvullende akoestisch rapport van 16 december 2009 niet ter inzage heeft gelegen. Volgens het college zijn de stukken afgeleverd in het gemeentehuis en is na het ontvangen van de zienswijze van [appellant] gecontroleerd of de stukken daadwerkelijk ter inzage lagen en is geconstateerd dat dit het geval was. Het college stelt tenslotte dat [appellant] niet in haar belangen geschaad is, nu het akoestisch rapport op 18 april 2010 aan [appellant] is toegezonden.

2.5.3. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport van 16 december 2009 niet ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpbesluit. Gelet daarop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de terinzagelegging in strijd met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden.

Het betoog van [appellant] faalt.

Algemeen toetsingskader

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Het derde lid, voor zover hier van belang, bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bestemmingsplan

2.7. [appellant] stelt dat het college de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten weigeren. Hiertoe voert [appellant] aan dat de inrichting niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Voorts voert [appellant] aan dat in de procedure voor de bouwvergunning het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen in de beslissing op bezwaar heeft geoordeeld dat de vereiste bouwvergunning in strijd met het bestemmingsplan is.

2.7.1. Het college stelt dat ten tijde van het bestreden besluit het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen een bouwvergunning had verleend aan [vergunninghoudster]. Nu de beslissing op bezwaar dateert van na het bestreden besluit, kon met de beslissing op bezwaar geen rekening worden gehouden, aldus het college. Het college stelt voorts dat artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer slechts een bevoegdheid tot weigering van de vergunning inhoudt. Nu de gemeente De Ronde Venen de grond aan [vergunninghoudster] heeft verkocht, mocht er ook zonder bouwvergunning vanuit worden gegaan dat eventuele strijdigheid met het bestemmingsplan zou worden opgeheven, aldus het college.

2.7.2. Op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft het college niet de plicht maar de bevoegdheid een vergunning te weigeren indien strijd met het bestemmingsplan zou ontstaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de strijdigheid met het bestemmingsplan zal worden opgeheven, nu de gemeente De Ronde Venen ten tijde van het bestreden besluit een bouwvergunning aan [vergunninghoudster] had verleend en uit overleg met de gemeente De Ronde Venen was gebleken dat de gemeente voornemens was de strijdigheid met het bestemmingsplan in ieder geval op te heffen. Gelet daarop hoefde het college geen aanleiding te zien de vergunning in verband met het bestemmingsplan te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Trillingshinder

2.8. Voorschrift 2.5.3 bepaalt dat er ter voorkoming van trillingshinder op 15 meter afstand vanaf de gevels van de gebouwen niet behorend tot de inrichting geen volle containers geplaatst mogen worden.

2.8.1. [appellant] betoogt dat voorschrift 2.5.3 niet handhaafbaar is omdat het voorschrift onduidelijk is. Het begrip "volle" in het voorschrift kan op verschillende wijzen worden uitgelegd. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat bijna volle containers geplaatst worden op een afstand van minder dan 15 meter van het kantoor van [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat het woord "op" dient te worden vervangen door het woord "binnen".

2.8.2. Ter zitting heeft het college gesteld dat voorschrift 2.5.3 aangepast dient te worden, door daarin op te nemen dat het gaat om beladen containers. Het bestreden besluit is in zoverre niet zorgvuldig genomen, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepsgrond slaagt.

Berekening geluidbelasting

2.9. [appellant] betoogt dat de in het aanvullende akoestisch rapport van 16 december 2009 gehanteerde 'representatieve bedrijfssituatie' niet overeenkomt met de aanvraag, de verleende vergunning en de feitelijke situatie en dat hierdoor de geluidbelasting veroorzaakt door [vergunninghoudster] wordt onderschat. [appellant] baseert zich hierbij op een op 4 juni 2010 uitgebracht akoestisch rapport, dat in opdracht van [appellant] door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu is opgesteld (hierna: het rapport van DGMR). Volgens het rapport van DGMR is het aantal vrachtwagenbewegingen, waar in het akoestisch onderzoek van 16 december 2009 van uit wordt gegaan, onjuist. Tevens is volgens het rapport van DGMR het aantal minuten dat wordt gehanteerd per containerwisseling onjuist ingeschat, gelet op het aantal aangevoerde containers. Tenslotte is, volgens het rapport van DGMR, een maximale waarde van 133 dB(A) voor het leegstorten op het ijzerterrein een te lage inschatting, omdat de eerste stort plaatsvindt op een vlakke onderplaat.

2.9.1. Het college betoogt dat het akoestisch rapport van 16 december 2009 is gebaseerd op de aanvraag. Uitgangspunt is dat in de representatieve bedrijfssituatie 70 vrachtwagenbewegingen per dag plaatsvinden.

Volgens het akoestisch rapport van 16 december 2009 vinden in de dagperiode gedurende een uur per dag containerwisselingen plaats. Volgens het college houdt het legen van een container niet altijd het wisselen van een container op het containerterrein in, zoals wordt verondersteld in het rapport van DGMR. Het merendeel van de containers die worden aangevoerd door de 35 vrachtwagens zullen worden leeggestort op het ijzerterrein en het rvs-terrein, aldus het college. De containerwisselingen in de avonduren zullen niet regelmatig voorkomen, maar zijn opgenomen in het akoestisch rapport van 16 december 2009 omdat incidenteel in de avonduren containers gewisseld moeten kunnen worden. Ten slotte stelt het college dat de geluidswaarde die is vastgesteld voor het leegstorten van de containers is gebaseerd op metingen op de oude locatie van [vergunninghoudster] te Amstelhoek. Deze metingen hebben geen bronvermogens van het maximale geluidniveau boven de 130 dB(A) aangetoond. De maximale waarde van 133 dB(A) voor het leegstorten van containers op het ijzerterrein is reëel, aldus het college.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat het college bij het verlenen van de vergunning uit dient te gaan van de aanvraag, zoals die is ingediend door [vergunninghoudster]. Aangevraagd zijn 70 vrachtwagenbewegingen, zodat het college terecht van dat aantal is uitgegaan.

Volgens het deskundigenbericht betreft de tijdsduur in het akoestische rapport van 16 december 2009 enkel het wisselen van de containers. Het leegstorten van de containers is apart meegenomen in het akoestisch onderzoek. In het akoestisch rapport van 16 december 2009, dat deel uitmaakt van de aanvraag, is niet het aantal containerwisselingen of de duur van een wisseling aangegeven, maar de totale benodigde bedrijfsduur voor het wisselen van containers. Volgens het deskundigenbericht is de aanname dat niet alle geleegde containers ook worden gewisseld redelijk. De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde bedrijfstijd voor het wisselen van containers onjuist is.

Volgens het deskundigenbericht is het storten van ijzer in een container meegenomen in het geluidvermogen van de kraan op het ijzerterrein. De maximale geluidwaarde van 133 dB(A) hierbij is volgens het deskundigenbericht reëel. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de maximale geluidwaarde voor het storten van ijzer in het akoestisch rapport van 16 december 2009 te laag is ingeschat.

Gelet op het voorgaande heeft het college gebruik mogen maken van het akoestisch rapport van 16 december 2009, nu geen grond bestaat voor het oordeel dat het betreffende akoestisch rapport op onjuiste uitgangspunten gebaseerd is.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.10. [appellant] betoogt dat het geluid van de inrichting is aan te merken als impulsachtig. Volgens het rapport van DGMR is het geluid niet alleen in de dagperiode aan te merken als impulsachtig maar ook in de avondperiode. Het college had daarom een toeslag van 5 dB(A) dienen toe te passen. De stelling van het college dat de pieken langer dan een seconde duren en geen herkenbare repetitie hebben, is niet met feiten onderbouwd, aldus [appellant]. Mocht er geoordeeld worden dat er geen sprake is van impulsachtig geluid, dan dient de bijdrage van de piekgeluiden, volgens [appellant], mee te worden genomen in het langtijdgemiddelde niveau.

2.10.1. Het college betoogt dat bij de beoordeling van de piekgeluiden is aangesloten bij de definitie van 'impulsgeluid' uit de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai 1999. Volgens deze definitie zijn deze geluiden niet als impulsachtig aan te merken, aldus het college. Voorst stelt het college dat bij de beoordeling van de piekgeluiden is uitgegaan van het akoestisch onderzoek en de meetgegevens op de oude locatie van [vergunninghoudster] te Amstelhoek. Ten slotte betoogt het college dat de geluidpieken, die worden veroorzaakt door sorteer- en overslagwerkzaamheden van de ijzerkranen, zijn meegenomen in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

2.10.2. Volgens het deskundigenbericht worden de geluidpieken, die veelvuldig voor kunnen komen, veroorzaakt door sorteer- en overslagwerkzaamheden van de ijzerkranen. Repeterende geluidsmomenten die zeer kort duren met een hoge stijgtijd, zoals kenmerkend voor impulsgeluid, komen niet voor binnen de inrichting. Er is geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de inrichting geen impulsgeluid veroorzaakt.

Uit bijlage II van het akoestisch onderzoek van 19 december 2009 blijkt dat de werkzaamheden die de geluidpieken veroorzaken zijn opgenomen in het rekenmodel voor zowel het langtijdgemiddelde geluidsniveau als het maximale geluidsniveau. Ook in zoverre geeft het betoog van [appellant] geen aanleiding voor de opvatting dat de geluidbelasting vanwege de inrichting niet deugdelijk is berekend.

Het betoog faalt.

Geluidsbelasting van het kantoor

2.11. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.4.5, voor zover van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting ter plaatse van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] niet meer bedragen dan respectievelijk 67 dB(A) van 7.00 uur tot 19.00 uur en 60 dB(A) van 19.00 uur tot 23.00 uur.

Het maximale geluidniveau vanwege de inrichting mag ter plaatse van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] niet meer bedragen dan 85 dB(A) van 7.00 uur tot 20.00 uur en 84 dB(A) van 20.00 uur tot 23.00 uur.

2.11.1. [appellant] betoogt dat de geluidnormen, zoals die gesteld zijn in voorschrift 2.4.5, te weinig bescherming bieden voor de geluidbelasting in het kantoor. In dit verband voert [appellant] aan dat het college heeft gesteld, maar niet heeft onderbouwd, dat de in voorschrift 2.4.5 gestelde grenswaarde voor het maximaal geluidniveau in lijn is met de Handreiking meten en rekenen industrielawaai 1999. Het voorschrift laat voor het maximaal geluidniveau een geluidbelasting toe die 10 dB(A) hoger is dan de norm volgens de Handreiking voor maximale geluidbelasting bij woningen, hetgeen volgens [appellant] neerkomt op een verdubbeling van de geluidbelasting, wat niet acceptabel is.

Volgens [appellant] worden in de inrichting niet de best beschikbare technieken toegepast. [appellant] betoogt in dit verband dat het ontbreken van een geluidwering aan de zijde van het kantoor aan de [locatie 2] niet te beschouwen is als de best beschikbare technieken. Het college motiveert volgens [appellant] onvoldoende dat het plaatsen van een dergelijk geluidscherm te weinig effect heeft in verhouding met de te maken kosten. Voorts stelt [appellant] dat het uitpandig uitvoeren van slijpwerkzaamheden niet als best beschikbare techniek kan worden aangemerkt, nu het onderhoud aan groot materieel gedurende een uur per dag niet representatief is. Ook heeft het college nagelaten te onderzoeken welke andere maatregelen genomen kunnen worden om de geluidhinder te beperken, aldus [appellant]. [appellant] stelt voorts dat het college onderscheid dient te maken tussen de gevelwaarde en het binnenniveau voor het kantoorpand, omdat dit onderscheid ook wordt gemaakt bij woningen. Ten slotte betoogt [appellant] dat de binnenwaarde onjuist gemeten is, nu de geluidmeting is gedaan zonder geopende ramen. Het kantoor heeft te openen ramen en heeft dus geen dove gevel.

2.11.2. Het college stelt dat personen die zich in een kantoor of bedrijfsruimte bevinden bescherming toekomt tegen onacceptabele geluidhinder, maar dat een lager beschermingsniveau dan in woningen acceptabel is. Volgens het college is voor het beoordelen van de geluidbelasting op een kantoor doorslaggevend of het binnengeluidniveau in de bedrijfsruimten aanvaardbaar is, aangezien de werkzaamheden binnen plaatsvinden. Voor het bepalen van acceptabele binnengeluidniveaus is aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Binnen de kantoren op het bedrijventerrein is de langtijdgemiddelde geluidsbelasting maximaal 36 dB(A), hetgeen ruimschoots voldoet aan de in het Bouwbesluit 2003, artikel 3.2, gestelde norm van 40 dB(A), aldus het college.

Voor het toelaatbare maximaal geluidniveau binnen de kantoren op het bedrijventerrein is aansluiting gezocht bij de waarden voor het maximaal geluidniveau binnen gebouwen van 55 dB(A) van artikel 2.17, derde lid, tabel 2.17c van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Het college stelt dat 5 dB(A) extra aanvaardbaar is, omdat kantoren geen geluidgevoelige bestemmingen in de zin van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer zijn. Een maximaal geluidniveau binnen de kantoren van 60 dB(A) is daarom volgens het college aanvaardbaar. Uit metingen blijkt dat het maximaal geluidniveau in het gebouw [locatie 2] 53 dB(A) bedraagt, zodat aldaar aan het door het college aanvaardbaar geachte maximum ruimschoots wordt voldaan.

Volgens het college dient het binnengeluidniveau met gesloten ramen te worden bepaald.

Volgens het college worden in de inrichting de maatregelen toegepast, die redelijkerwijs gevergd kunnen worden van [vergunninghoudster]. Het plaatsen van een geluidwering aan de zijde van [appellant] kan niet van [vergunninghoudster] gevergd worden. Volgens het college zou een geluidscherm minimaal 12 meter hoog moeten zijn en staan de kosten daarvan niet in verhouding tot de te verwachten geluidreductie.

2.11.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 2 september 2009, komt aan personen die in een kantoor verblijven niet noodzakelijk dezelfde bescherming toe als in het geval het een woning betreft. Hieromtrent komt het bevoegd gezag beoordelingsvrijheid toe.

Gelet op de ligging van het kantoor op een bedrijventerrein mocht het college zich op het standpunt stellen dat een hoge geluidbelasting op de gevel aanvaardbaar is mits het geluidniveau binnen niet te hoog is, omdat in het kantoorgebouw overwegend binnen wordt gewerkt. Het deskundigenbericht vermeldt dat de binnengeluidniveaus van de kantoren op een juiste manier zijn berekend. Uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 volgt dat het geluidniveau in een woning bepaald moet worden met gesloten ramen, buitendeuren en ventilatievoorzieningen. Gelet daarop heeft het college terecht de binnengeluidniveaus gemeten met gesloten ramen.

Naar het oordeel van de Afdeling kon het college voor de beoordeling van het binnengeluid aansluiten bij het Bouwbesluit en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het plaatsen van een geluidscherm van minimaal 12 meter hoogte aan de zijde van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] niet proportioneel zal zijn, nu de kosten van het plaatsen van een dergelijk scherm niet zullen opwegen tegen de te verwachten geluidreductie. Nu het college het binnengeluidniveau acceptabel kon achten zonder het geluidscherm, heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plaatsen van een geluidscherm aan de zijde van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] niet gevergd kan worden van [vergunninghoudster].

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat slijpwerkzaamheden inpandig moeten plaatsvinden, en dat uitpandig slijpen alleen zal plaatsvinden voor het onderhoud van groot materiaal, zoals kranen, die te groot zijn om binnen te plaatsen. Gelet op het voorgaande, heeft het college dat in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

Gelet op al het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidnormen, zoals opgenomen in voorschrift 2.4.5, voldoende bescherming bieden voor de geluidsbelasting van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2].

Het betoog faalt.

Geluidsbelasting ter plaatse van de woningen

2.12. Het college heeft, voor zover van belang, bij het beoordelen van de geluidhinder vanwege de inrichting voor woningen op het bedrijventerrein de door de gemeenteraad van De Ronde Venen vastgestelde "Geluidnota en verordening voor het Bedrijventerrein Mijdrecht" (hierna: de Geluidnota) als uitgangspunt genomen. Deze nota is aan te merken als gemeentelijke beleidsnota industrielawaai in de zin van hoofdstuk 2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

In de Geluidnota is, voor zover van belang, vermeld dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor woningen niet meer mag bedragen dan 65 dB(A) van 7.00 uur tot 19.00 uur en 55 dB(A) van 19.00 uur tot 23.00 uur. Het maximaal geluidniveau mag, voor zover van belang, volgens de Geluidnota niet meer bedragen dan 70 dB(A) van 7.00 uur tot 20.00 uur en 65 dB(A) van 20.00 uur tot 23.00 uur.

2.13. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.4.5, voor zover van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting ter plaatse van de bedrijfswoning aan de [locatie 3] niet meer bedragen dan respectievelijk 50 dB(A) van 7.00 uur tot 19.00 uur en 43 dB(A) van 19.00 uur tot 23.00 uur.

Het maximale geluidniveau vanwege de inrichting mag ter plaatse van de bedrijfswoning aan de [locatie 3] niet meer bedragen dan 68 dB(A) van 7.00 uur tot 20.00 uur en 65 dB(A) van 20.00 uur tot 23.00 uur.

2.13.1. [appellant] betoogt dat de in voorschrift 2.4.5 opgelegde grenswaarden niet kunnen worden nageleefd, omdat de geluidbelasting op de bedrijfswoning aan de [locatie 3] aanzienlijk hoger is dan door het college is berekend en met name de piekniveaus hoger zijn dan maximaal toegestaan.

2.13.2. Uit de overwegingen 2.9.2 en 2.10.2 volgt dat het college zich op het akoestisch rapport van 19 december 2009 heeft mogen baseren. Gelet daarop bestaat in hetgeen [appellant] aanvoert geen grond voor het oordeel dat de in voorschrift 2.4.5 opgelegde grenswaarden met betrekking tot de bedrijfswoning aan de[locatie 3] niet kunnen worden nageleefd.

Dit betoog faalt.

2.14. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.4.5, voor zover van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting ter plaatse van het pand aan de [locatie 4] niet meer bedragen dan respectievelijk 67 dB(A) van 7.00 uur tot 19.00 uur en 60 dB(A) van 19.00 uur tot 23.00 uur.

Het maximale geluidniveau vanwege de inrichting mag ter plaatse van het pand aan de Groot Mijdrechtstaat 34-36 niet meer bedragen dan 87 dB(A) van 7.00 uur tot 20.00 uur en 81 dB(A) van 20.00 uur tot 23.00 uur.

2.14.1. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte het gebouw heeft beoordeeld als een bedrijfsgebouw, zodat de in voorschrift 2.4.5 gestelde grenswaarden voor de bedrijfswoning aan de [locatie 4] onvoldoende bescherming bieden, nu deze hoger zijn dan de Geluidnota toelaat. In het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Mijdrecht en Vinkeveen" heeft het pand de bestemming bedrijfswoning. [appellant] voert aan dat de eigenaar van het pand, [appellant D], het pand steeds heeft verhuurd als bedrijfsruimte met bedrijfswoning. [appellant] betoogt dat [appellant D] er geen zicht op had in hoeverre de huurder aanwezig was, maar volgens haar is het pand door de huurder gebruikt als woning, en zal het pand door de nieuwe gebruiker zeker als woning worden gebruikt.

Tenslotte voert [appellant] aan dat de bedrijfswoning ten tijde van het bestreden besluit wellicht niet permanent bewoond werd door de huurder, maar dat het criterium "feitelijke bewoning" is en niet "feitelijk permanente bewoning".

2.14.2. Het college stelt dat het pand aan de [locatie 4] moet worden beoordeeld als een bedrijfsgebouw en niet als een bedrijfswoning. Hiertoe voert het college aan dat er feitelijk geen permanente bewoning in het onderhavige pand plaatsvindt. Het college baseert zich hierbij op de constatering van niet permanente bewoning bij het meten van de gevelwaarde in november 2009, een verklaring hieromtrent van de huurder en de constatering van niet permanente bewoning door een wethouder van de gemeente De Ronde Venen. Het college zegt uit te gaan van het feitelijk gebruik van het pand.

2.14.3. Niet in geschil is dat het gebouw aan de [locatie 4] de planologische bestemming bedrijfswoning heeft. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college ten tijde van het bestreden besluit ervan uit mocht gaan dat het gebouw feitelijk niet bewoond werd. Uit de stukken, waaronder een huurcontract, en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten tijde van het bestreden besluit [appellant D] het gebouw verhuurde als bedrijfswoning en dat een deel van het gebouw was ingericht als woning. Gelet hierop bieden de constateringen van het college inzake het feitelijk gebruik naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grondslag voor de conclusie dat het pand niet feitelijk wordt bewoond en dat om die reden volstaan zou kunnen worden met een beschermingsniveau dat past bij een bedrijfsgebouw. Derhalve is het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, niet zorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

2.15. Het beroep is gegrond. Nu het geluidaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.16. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voor zover het is ingesteld door [appellant E], [appellant F], [appellante G], Starclass Restauraties B.V. en [appellante H] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante A], [appellant B], [appellante C] en [appellant D] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 30 maart 2010, kenmerk 2010INT257045;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante A], [appellant B], [appellante C] en [appellant D] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellante A], [appellant B], [appellante C] en [appellant D] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

539-688.