Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201104798/1/R2, 201104799/1/R2, 201105232/1/R2 en 201105236/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 18 april 2011, kenmerken DRZZ/2011-201757 en DRZZ/2011-201777, heeft de staatssecretaris aan de Vereniging van importeurs van schelpdieren te Kapelle (hierna: VIS) vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het uitzaaien in de Oosterschelde van mosselen afkomstig uit respectievelijk Denemarken en het gebied The Wash (Verenigd Koninkrijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104798/1/R2 201104799/1/R2

201105232/1/R2 201105236/1/R2.

Datum uitspraak: 7 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de stichting Stichting de Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekster,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 april 2011, kenmerken DRZZ/2011-201757 en DRZZ/2011-201777, heeft de staatssecretaris aan de Vereniging van importeurs van schelpdieren te Kapelle (hierna: VIS) vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het uitzaaien in de Oosterschelde van mosselen afkomstig uit respectievelijk Denemarken en het gebied The Wash (Verenigd Koninkrijk).

Bij besluiten van 2 mei 2011, kenmerken DRZZ/2011-204556 en DRZZ/2011-204563, heeft de staatssecretaris aan de VIS vergunning op grond van de Nbw 1998 verleend voor het uitzaaien in de Oosterschelde van mosselen afkomstig uit respectievelijk Zweden en verschillende productiegebieden in het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

Tegen deze besluiten heeft de Faunabescherming bezwaar gemaakt.

Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op respectievelijk 25 april 2011 en 9 mei 2011, heeft de Faunabescherming de voorzitter verzocht ten aanzien van deze besluiten een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 20 mei 2011, waar de Faunabescherming, vertegenwoordigd door [secretaris], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman, mr. M.H. Overes en dr. A. Gittenberger, zijn verschenen. Voorts is daar de VIS gehoord, vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg, en mr. J.D. Holstein.

2. Overwegingen

2.1. De Faunabescherming betoogt dat de vergunningen ten onrechte zijn verleend. Volgens haar kan niet worden uitgesloten dat zich in de partijen te importeren en uit te zaaien mosselen andere, voor de Oosterschelde niet inheemse soorten organismen bevinden, die als ze zijn uitgezaaid onomkeerbare nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ecosysteem in dat gebied. Op grond van de uitgevoerde passende beoordeling en het voorgeschreven monitoringsprotocol is derhalve niet de zekerheid verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Oosterschelde door de vergunde activiteiten niet zullen worden aangetast, aldus de Faunabescherming, zodat de vergunningen zijn verleend in strijd met de Nbw 1998. Volgens haar wordt verder ten onrechte afgeweken van het door de staatssecretaris gevoerde beleid. Dit beleid is, zoals naar haar mening blijkt uit de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 7 september 2010 in zaaknr. 201008464/3/R2, niet alleen gericht op het voorkomen van de introductie van probleemsoorten of invasieve exoten, maar ook op het tegengaan van introductie van andere soorten die niet inheems zijn voor de Oosterschelde. Daarnaast is het uitzaaien van mosselen volgens de Faunabescherming niet nodig, omdat de geïmporteerde mosselen hetzij in de beschikbare quarantainevoorzieningen kunnen worden opgevangen hetzij direct in de handel kunnen worden gebracht. Ten slotte strookt verlening van de vergunning volgens de Faunabescherming niet met de Beleidsnota invasieve exoten, het Biodiversiteitsverdrag, de betrokken richtlijnen van de IUCN en de ICES-Code met betrekking tot de introductie en het vervoer van mariene organismen.

2.2. Ter zitting is van de zijde van de staatssecretaris gesteld dat het door hem gevoerde beleid, anders dan was verwoord in het besluit waarop de door de Faunabescherming aangehaalde uitspraak betrekking had, er niet op is gericht de introductie van alle soorten te voorkomen die niet inheems zijn voor de Oosterschelde. Van belang is slechts dat de zogenoemde probleemsoorten worden geweerd, waaronder wordt verstaan alle soorten waarvan op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat zij een negatief effect kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat, gezien de passende beoordelingen en het gegeven dat op grond van de vergunningen dient te worden gehandeld volgens het monitoringsprotocol van GiMaRIS, onomkeerbare aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Oosterschelde is uitgesloten.

2.3. De voorzitter gaat er vooralsnog vanuit dat, anders dan ten tijde van de door de Faunabescherming aangehaalde uitspraak, het beleid van de staatssecretaris thans niet is gericht op het voorkomen van de introductie van alle soorten - al dan niet aan te merken als probleemsoort - die niet inheems zijn voor de Oosterschelde.

Aan elk van de verleende vergunningen is het voorschrift verbonden dat bij de import van mosselen het Schelpdierimport monitoringsprotocol van juli 2010, opgesteld door onderzoeksbureau GiMaRIS, moet worden gevolgd. Dit protocol voorziet in een verplichte uitvoerige inventarisatie van soorten in ieder herkomstgebied afzonderlijk door een onafhankelijk deskundige, waarbij per gebied een lijst wordt opgesteld met de in dat gebied tussen, op of onder de mosselen voorkomende soorten. De resultaten van deze inventarisaties dienen bekend te zijn voordat er mosselen afkomstig uit dat gebied in de Oosterschelde worden uitgezaaid. Daarnaast worden inventarisaties uitgevoerd van de geïmporteerde ladingen - doorgaans in de zogenoemde big bags - wanneer deze in Nederland aankomen, waarbij in kaart wordt gebracht van welke soorten levende exemplaren worden aangetroffen. De bij de inventarisaties aangetroffen soorten worden geclassificeerd als inheemse soort, als uitheemse noordwest-Europese soort of als exoot. Vervolgens wordt beoordeeld of de soort dient te worden aangemerkt als probleemsoort, waaronder in het protocol wordt verstaan een soort die zich nog niet in de Oosterschelde heeft gevestigd en waarvan uit de literatuur bekend is dat zij schadelijk is in gebieden waar zij wordt ingevoerd.

Aan de uitkomsten van de op deze manier uitgevoerde inventarisaties zijn in het protocol verplicht bepaalde maatregelen verbonden, waaronder verscherpte monitoring door het toepassen van herhaalde big bag-inventarisaties, het verrichten van aanvullende inventarisaties in het herkomstgebied, het plaatsen van de betrokken partij mosselen in quarantaine of het schoonvissen van percelen in de Oosterschelde waar eventueel al mosselen zijn uitgezaaid. De twee laatstgenoemde maatregelen zijn in het protocol dwingend voorgeschreven in de gevallen dat bij een inventarisatie van een big bag of een herkomstgebied een probleemsoort wordt aangetroffen.

Gezien de voorgeschreven uitvoerige, stelselmatige inventarisaties en het gegeven dat aan de uitkomsten daarvan rechtstreeks maatregelen zijn gekoppeld, ziet de voorzitter voorshands geen grond voor de verwachting dat de vergunde activiteit zal leiden tot ingrijpende of onomkeerbare gevolgen voordat de staatssecretaris zal hebben besloten op het door de Faunabescherming gemaakte bezwaar. Daarbij betrekt de voorzitter dat van de zijde van de staatssecretaris ter zitting is verklaard dat de besluiten op bezwaar naar verwachting zeker binnen de daarvoor op grond van artikel 7:10 van de Awb geldende termijn zullen kunnen worden genomen.

2.4. Gelet op het voorgaande, en de betrokken belangen in aanmerking genomen, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011

568.