Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
201103349/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college het verzoek om handhaving van [verzoeker] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103349/2/M1.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Oudehaske, gemeente Skarsterlân,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslan,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college het verzoek om handhaving van [verzoeker] afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2011, verzonden op 18 februari 2011, heeft het college het door [verzoeker] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 mei 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.J. Kolff-Hill en D. Peereboom, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting, DVJ, vertegenwoordigd door A. van Vught, en het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, vertegenwoordigd door mr. R.H. Posthuma, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 10 oktober 2006 is aan DVJ vergunning verleend voor het ontgronden van een gedeelte van de percelen kadastraal bekend gemeente Nijehaske, sectie K, nummers 942, 944, 945, 758, 756 en 344, ten behoeve van een uitbreiding van de bestaande zandwinput nabij Oudehaske, tot uiterlijk 1 januari 2020.

[verzoeker] heeft bij brief van 12 juli 2010 een verzoek ingediend om handhaving wegens overtreding van de voorschriften 6, 8 en 37 verbonden aan de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingenvergunning.

2.3. [verzoeker] verzoekt om het schorsen van de ontgrondingenvergunning totdat DVJ overeenkomstig de voorschriften 6 en 8 riet heeft aangeplant en dit riet is aangeslagen. Derhalve strekt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, mede gelet op het verhandelde ter zitting, zich enkel uit tot de voorschriften 6 en 8 van de ontgrondingenvergunning.

2.4. Ter zitting heeft DVJ gesteld dat [verzoeker] geen belanghebbende bij het bestreden besluit is, omdat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op eigendoms- en gebruiksrechten in het zandwinningsgebied waarop de ontgrondingenvergunning betrekking heeft. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat naar de ontvankelijkheid van het beroep van [verzoeker] nader onderzoek gedaan dient te worden. Hiervoor leent deze procedure zich niet. De voorzitter houdt het er voorlopig voor dat het beroep van [verzoeker] ontvankelijk is.

2.5. [verzoeker] stelt dat DVJ de ontgrondingenvergunning niet naleeft voor wat betreft de voorschriften 6 en 8 over het aanplanten van riet aan de insteek van de zandwinning. Hij stelt hierdoor schade te ondervinden omdat hij door de afwezigheid van het riet zijn exploitatierechten op het riet niet kan uitoefenen. Volgens [verzoeker] had het college op grond van het controlebezoek van 7 september 2010 een verplichting tot handhaving, omdat bij dat controlebezoek is geconstateerd dat DVJ geen riet heeft aangeplant.

2.5.1. Het college betoogt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening heeft. Hiertoe voert het college aan dat DVJ na het bestreden besluit een ontvankelijke aanvraag tot wijziging van de ontgrondingenvergunning heeft ingediend. De aangevraagde wijziging houdt in dat minder zand wordt afgegraven dan waarop de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingenvergunning betrekking heeft. Hierdoor heeft het aanplanten van riet op de in de nu geldende ontgrondingenvergunning aangegeven plaatsen geen zin, aldus het college. Het college is voornemens deze aanvraag tot wijziging van de ontgrondingenvergunning in te willigen. Tevens is bij een controlebezoek op 13 mei 2011 geconstateerd dat DVJ is begonnen met het aanplanten van riet overeenkomstig de aanvraag tot wijziging, aldus het college.

2.5.2. Nu een ontvankelijke aanvraag tot wijziging van de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingenvergunning is ingediend en bij het controlebezoek van 13 mei 2011 is geconstateerd dat DVJ riet heeft aangeplant overeenkomstig de aanvraag tot wijziging, bestaat naar het oordeel van de voorzitter, bij afweging van alle betrokken belangen, geen zodanig spoedeisend belang dat de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingenvergunning bij wijze van voorlopige voorziening dient te worden geschorst of dat een andere voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

2.6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

195-688.